Luister naar de zin.
Wat hoor je?
Ik in Rotterdam.
Ik werk in Rotterdam.
We in de stad wonen.
We wonen in de stad.
Jullie eten groente en vlees.
Jullie groente en vlees eten.
Ik ga naar de supermarkt.
Ik naar de supermarkt.
U het formulier leest.
U leest het formulier.
We heten John en Ali.
We John en Ali.
Ik schrijf goed.
Schrijf ik goed.
U het adres vraagt.
U vraagt het adres.
We kijk tv.
We kijken tv.
Jullie een e-mail schrijven.
Jullie schrijven een e-mail.
Werk in Rotterdam.
Je werkt in Rotterdam.
Werkt in Rotterdam.
Wonen we in een dorp.
We wonen in een dorp.
Je eet een tomaat.
Eet een tomaat.
Drink water.
Ik drink water.
Slaapt in bed.
U slaapt in bed.
Praten jullie met de buren.
Jullie praten met de buren.
Drinkt u koffie.
U drinkt koffie.
Ik vraag de postcode.
Vraag de postcode.
Je luistert niet.
Luistert niet.
Sleep het woord naar de goede plaats.
Ik werk in Rotterdam .
We werken in Rotterdam .
Ik slaap goed .
U luistert niet .
We praten met de buren .
We drinken koffie .
Je woont in Breda .
Ik woon in Nederland .
We praten met de buurvrouw .
Jullie komen vanavond .
Zet de woorden op de goede plaats.
Jullie werken in Rotterdam.
Je geeft het telefoonnummer.
Ik weet het niet.
Ik hou van rijst.
We gaan naar het werk.
Jullie komen uit Marokko.
We leren Nederlands.
Ik kijk tv.
Je praat met de buurvrouw.
U gaat naar huis.
Lees de zin.
De zin is fout.
Typ de goede zin.
Sluit af met een punt.
Ik werk in Rotterdam werken.
Ik drink een cola drinken.
Ik drink een cola.
Je eet een broodje eten.
Je eet een broodje.
Ik koop vis kopen.
Ik koop vis.
U eet een koekje eten.
U eet een koekje.
Ik doe boodschappen doen.
Ik doe boodschappen.
Welke zin is goed?
Ik in Rotterdam werken.
We in Rotterdam werken.
We werken in Rotterdam.
Ik kom naar huis.
Ik naar huis komen.
We vragen de postcode.
We de postcode vragen.
Gaan naar huis.
We gaan naar huis.
Ik weet het adres.
Ik het adres weten.
Bellen de supermarkt.
We bellen de supermarkt.
Ik geef het telefoonnummer.
Ik het telefoonnummer geven.
We drinken melk.
Ik koop fruit.
Ik koop een broodje .
We slapen goed .
Ik heet Carlos Mendez .
We kopen een huis.
Ik geef het adres .
Lees de woorden.
we werken in Rotterdam.
ik leer Nederlands.
we praten met Layla.
ik eet een koekje.
u gaat naar de supermarkt.
je schrijft een e-mail.
jullie kopen rijst en vlees.
ik geef het telefoonnummer.
je drinkt thee.
u eet groente en fruit.
Dit is de regel:
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.