Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

2.15 het werkwoord: ik heb gewerkt, ik heb geluisterd (1)

1

Luister naar het woord.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar de zin.

Lees de vraag.

Kies het goede antwoord.

Is het werk klaar?

Is het werk klaar?

Is Ali klaar met bellen?

Is Ali klaar met bellen?

Is de pizza klaar?

Is de pizza klaar?

Is Adam klaar met pinnen?

Is Adam klaar met pinnen?

Zijn de kinderen klaar met voetballen?

Zijn de jongens klaar met spelen?

Is Layla klaar met fietsen?

11 van de 11 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zin.

Kies het goede antwoord.

Ik heb hem ...

Ze heeft een uur ...

Je hebt goed ...

Mijn vader heeft veel ...

Hij heeft niet veel ...

De zomer heeft lang ...

Heb je je vriendin ...

Ik heb je een e-mail ...

Ik heb leuk ...

Ik heb gisteren ...

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zin.

Sleep het woord naar de goede plaats.

Hij   heeft    een pak yoghurt gehaald.

We   hebben   woensdag gewerkt.

Ik   heb   de krant gepakt.

We   hebben   veel gepraat.

We   hebben   de pizza gedeeld.

Ik   heb   het nieuws gehoord.

Anna   heeft   de rok geruild.

Ik   heb   je   erg gemist.

We   hebben   patat gehaald.

Mijn zus   heeft   voor mijn moeder gezorgd.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

We hebben op de trein ...

Ze hebben met de docent ...

De baby heeft niet ...

Heb je soep ...

David heeft goed voor de hond ...

De winter heeft lang ...

Hij heeft de schoenen ...

Ze heeft koffie ...

Mijn moeder heeft een pakje ...

De  vriendinnen hebben in Utrecht ...

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het woord naar de goede plaats.

We   hebben   lekker gekookt

Ali   heeft   in Marokko gewoond.

De honden   hebben   de hele nacht geblaft.

Hij   heeft   lang gewacht.

Ik   heb   een e-mail gestuurd.

Het eten   heeft   lekker gesmaakt.

Ze   hebben   veel geleerd.

De jongen   heeft gehuild.

Ze   hebben   niets gevraagd.

Hij   heeft   mijn boek geleend.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Sleep het woord naar de juiste plek.

Hij heeft   twee broden gehaald.

Mijn zus heeft   rijst gekookt.

Het heeft   de hele dag geregend.

U hebt   ons veel geleerd!

Julia heeft   de kleren geruild.

Ze heeft   een e-mail gestuurd.

Ik heb   veel geld gepind.

Hij heeft   de baby niet gehoord.

Ik heb   iets aan de docent gevraagd.

Ik heb   leuk gedroomd.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Welke zin is goed?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

Wat is de regel?

Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

Ik werk. (Ik werk nu.)
Ik heb gewerkt (Het werk is klaar.)
   
We bellen de dokter. (We bellen nu.)
We hebben de dokter gebeld. (We zijn klaar met bellen.)

 

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.