Luister naar de zinnen.
Wat hoor je?
Ik ben vanavond thuis.
Ik vanavond ben thuis.
Vanavond ik ben thuis.
Vanavond ben ik thuis.
Morgen gaan we naar Amsterdam.
Morgen we gaan naar Amsterdam.
We morgen gaan naar Amsterdam.
We gaan morgen naar Amsterdam.
Vanavond ik ga vroeg naar bed.
Vanavond ga ik vroeg naar bed.
Ik ga vanavond vroeg naar bed.
Ik wil eerst naar de Aldi. Daarna wil ik naar de markt.
Ik wil eerst naar de Aldi. Daarna ik wil naar de markt.
Ik wil eerst naar de Aldi. Ik wil daarna naar de markt.
Ik wil eerst naar de Aldi. Ik daarna wil naar de markt.
Ik ben moe. Daarom ik ga naar bed.
Ik ben moe. Daarom ga ik naar bed.
Ik ben moe. Ik ga daarom naar bed.
Ik ben moe. Ik daarom ga naar bed.
Gisteren ik ben naar de markt geweest.
Gisteren ben ik naar de markt geweest.
Ik gisteren ben naar de markt geweest.
Ik ben gisteren naar de markt geweest.
We hebben vannacht niet goed geslapen.
Vannacht hebben we niet goed geslapen.
Vannacht we hebben niet goed geslapen.
Ik ben ziek. Daarom ik kan niet komen.
Ik ben ziek. Daarom kan ik niet komen.
Ik ben ziek. Ik kan daarom niet komen.
Ik ben ziek. Ik daarom kan niet komen.
Hij gisteren heeft een tv gekocht.
Hij heeft gisteren een tv gekocht.
Gisteren heeft hij een tv gekocht.
Gisteren hij heeft een tv gekocht.
Ik ga boodschappen doen. Daarna we kunnen eten.
Ik ga boodschappen doen. Daarna kunnen we eten.
Ik ga boodschappen doen. We daarna kunnen eten.
Ik ga boodschappen doen. We kunnen daarna eten.
Luister naar de zin.
Zet de woorden op de goede plaats.
Vandaag ga ik mijn moeder bellen.
Vanmiddag wil ik boodschappen doen.
Morgen wil ik een nieuwe telefoon bestellen.
Mijn broer komt volgende maand logeren.
Volgend jaargaat onze dochter naar school.
Sinds een week heeft hij overal pijn.
Op het station wil ik een krant kopen.
We gaan morgen samen koffie drinken.
Lees de woorden.
Misschien koop ik die leuke broek.
We gaan de keuken schoonmaken.
Over een maand krijgen we een ander huis.
Ik wil morgen vroeg opstaan.
Binnen een week mag je de spullen ruilen.
In de snackbar verkopen ze geen alcohol.
Mijn zus kan niet fietsen.
Vroeger kon ik niet goed lezen.
In mijn land fietsen de mensen niet.
Het brood is in Nederland heel erg lekker.
Dit is de regel:
Kijk naar de plaats van het onderwerp.
Kijk naar de plaats van het (hoofd)werkwoord.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.