Luister naar het woord.
Wat hoor je?
doen
opendoen
zoeken
uitzoeken
schrijven
inschrijven
denken
nadenken
overdoen
nemen
meenemen
krijgen
terugkrijgen
trekken
aantrekken
geven
uitgeven
innemen
opengedaan
gedaan
gebracht
teruggebracht
genomen
meegenomen
uitgegeven
gegeven
geschreven
opgeschreven
getrokken
aangetrokken
uitgezocht
gezocht
uitgedaan
Luister naar de zin.
Lees de vraag.
Kies het goede antwoord.
Ben ik klaar met schrijven?
ja
nee
Is het raam open?
Heeft David zijn overhemd aan?
Is de deur dicht?
Heb ik de ring al?
Ik heb de deur opendoen.
Ik heb de deur opengedaan.
Hebben jullie je jas meenemen?
Hebben jullie je jas meegenomen?
Mijn dochtertje heeft haar medicijnen ingenomen.
Mijn dochtertje heeft haar medicijnen genomen.
Julia heeft haar zoontje voor zwemles opgeven.
Julia heeft haar zoontje voor zwemles opgegeven.
Ik heb een leuk cadeau voor je gezocht.
Ik heb een leuk cadeau voor je uitgezocht.
We hebben snoepjes voor je genomen.
We hebben snoepjes voor je meegenomen.
Ze hebben op reis erg veel geld uitgegeven .
Ze hebben op reis erg veel geld gegeven.
We hebben lang over je probleem nadenken.
We hebben lang over je probleem nagedacht.
We hebben onze oude bank gedaan.
We hebben onze oude bank weggedaan.
Heb je je jas al aantrekken?
Heb je je jas al aangetrokken?
Hij heeft zijn geld niet ...
terugkrijgen.
teruggekregen.
Ik heb een warme trui ...
aantrekken.
aangetrokken.
Ali heeft zijn zoon bij de basisschool ...
ingeschreven.
inschrijven.
Mohammed heeft zijn moeder naar Marokko ...
terugbrengen.
teruggebracht.
We hebben te veel geld ...
gegeven.
uitgegeven.
Mijn zus heeft een heleboel oude kleren ...
weggedaan.
gedaan.
Julia heeft de deur voor de buurvrouw ...
opendoen.
opengedaan.
Heb je het huiswerk goed ...
geschreven?
opgeschreven?
Ze heeft eten ...
meegenomen.
meenemen.
Sorry, ik heb niet goed ...
gedacht.
nagedacht.
Mijn vrienden ... een cadeau voor me meegenomen.
hebt
hebben
Welke rok ... je aangetrokken?
heb
Het kind ... niet goed uitgekeken.
heeft
Mijn opa ... zijn medicijnen niet ingenomen.
Waarom ... jullie de tv weggedaan?
Ik ... mijn zoon voor de cursus ingeschreven.
Mijn zus ... een mooie ring uitgezocht.
... je het licht overal uitgedaan?
Heb
Heeft
We ... de kinderen naar het zwembad meegenomen.
Hij ... het huiswerk in zijn agenda opgeschreven.
Zet de woorden op de goede plaats.
We hebben te veel geld uitgegeven.
Heb je dat boek teruggebracht?
Ik heb een schoon T-shirt aangetrokken.
Sarah heeft haar kind op de basisschoolingeschreven.
Ali heeft het boek teruggebracht.
We hebben over je plan nagedacht.
Ik heb mijn nieuwe jurk aangetrokken.
Heb je het raam al opengedaan?
Sarah en Anna hebben het huiswerk niet opgeschreven.
Je hebt de sleutel niet teruggebracht.
We hebben het licht overal uitgedaan.
Lees de zin.
Anna heeft nieuwe meubels ...
uitzoeken.
uitgezocht.
Ik heb de deur goed ...
dichtdoen.
dichtgedaan.
Ze heeft de medicijnen ...
ingenomen.
innemen.
Hoeveel geld heb je ...
uitgeven?
uitgegeven?
Julia heeft het huiswerk ...
opschrijven.
opgeschreven.
Hebben jullie wel goed ...
uitkijken?
uitgekeken?
De docent heeft lang ...
nadenken.
Ze hebben het raam ...
Ik heb eten voor vanavond ...
Wat hebben jullie veel geld ...
uitgeven!
uitgegeven!
Mijn man ... een cadeau voor me meegenomen.
Mijn zus ... een mooie jurk aangetrokken.
Mijn ouders ... soep voor ons meegenomen.
Julia ... haar oude tv weggedaan.
... jullie je kind voor de zwemles ingeschreven?
Hebben
We ... te veel geld uitgegeven.
... je dat boek al teruggebracht?
Ik ... de deur goed dichtgedaan.
Waarom ... jullie het huiswerk niet opgeschreven?
We ... het licht overal uitgedaan.
Sleep het woord naar de juiste plek.
We hebben de kinderen meegenomen.
Ik heb vijftig euro teruggekregen.
We hebben jullie nieuwe adres opgeschreven.
Layla heeft de deur goed dichtgedaan.
Hij heeft een schoon overhemd aangetrokken.
Layla heeft geen medicijnen ingenomen.
Mijn dochtertje heeft een klein poesje uitgezocht.
Mijn vriendin heeft een cadeau voor me meegenomen.
Ali heeft lang nagedacht.
Lees de zinnen.
Welke zin is goed?
John heeft gisteren honderd euro uitgegeven.
John geeft gisteren honderd euro uit.
Zoeken jullie straks een cadeau uit?
Hebben jullie straks een cadeau uitgezocht?
Ik schrijf vorige week het adres op.
Ik heb vorige week het adres opgeschreven.
Hij heeft het boek een uur geleden teruggebracht.
Hij brengt het boek een uur geleden terug.
Doen jullie straks het licht uit?
Hebben jullie straks het licht uitgedaan?
Ze neemt morgen lekker eten mee.
Ze heeft morgen lekker eten meegenomen.
Ik heb vijf minuten geleden een schoon T-shirt aangetrokken.
Ik trek vijf minuten geleden een schoon T-shirt aan.
Ik heb gisteren lang nagedacht.
Ik denk gisteren lang na.
Hij heeft het boek morgen teruggebracht.
Hij brengt morgen het boek terug.
Doe je het licht gisteravond wel uit?
Heb je het licht gisteravond wel uitgedaan?
Lees de woorden.
Zet de zinnen op de goede plaats.
Ik heb het adres opgeschreven.
De kinderen hebben goed uitgekeken.
Ik heb een cadeau meegenomen.
Julia heeft mooie bloemen uitgezocht.
We hebben veel geld uitgegeven.
Mohammed heeft zijn oude telefoon weggedaan.
Mijn vrouw heeft alle ramen dichtgedaan.
Ali heeft zijn zoon ingeschreven.
Anna heeft een mooie trui aangetrokken.
Sofia heeft de keukendeur opengedaan.
Dit is de regel:
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.