Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

2.19 het werkwoord: ik luisterde

1

Luister naar het woord.

Wat hoor je?

9 van de 9 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar de zin.

Lees de vraag.

Kies het goede antwoord.

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zin.

Kies het goede antwoord.

Ik ... mijn vader.

Hij ... met zijn broertje.

Mijn vrienden ... over hun reis.

Het ... heel lang.

Je ... niet!

Anna ... voor haar ouders.

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

6

Luister naar de zin.

Zet de woorden op de goede plaats.

Ali trouwde vorig jaar met Layla.

John stuurde me een bericht.

De kinderen voetbalden bij de flat.

De buren reageerden niet op mijn bericht.

De reis duurde twee weken.

5 van de 5 goed.
Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

We ... in een dorp.

Mijn beste vriend ... met mijn beste vriendin.

Mijn zusjes ... veel.

Mijn ouders ... de politie.

Ik ... je niet!

Anna ... niet op mijn bericht.

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

8

Lees de zinnen.

Welke is goed?

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

9

Lees de woorden.

Zet de woorden op de goede plaats.

Onze kinderen huilden niet veel.

De buren belden de politie.

Oma zorgde voor de kinderen.

Ik woonde vroeger in een grote stad.

Ze luisterden slecht naar de docent.

De afspraak duurde een uur.

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

nu vroeger  
Ik luister. Ik luisterde. We luisterden.
     
Je luistert. Je luisterde. Jullie luisterden.
U luistert. U luisterde.  
     
Hij luistert. Hij luisterde.

Ze luisterden.

Ze luistert. Ze luisterde.  

 

Praat je over vroeger?

Gebruik je bijvoorbeeld luisteren, horen, vertellen, wonen, leren, bellen?

Gebruik  -de of -den.

 

Ik luisterde.

Ik hoorde.

Ik vertelde.

We leerden.

We belden.

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.