Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

2.26 het werkwoord met twee delen: ik ruimde op, ik maakte open

1

Luister naar het woord.
Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar het woord.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zin.

Lees de vraag.

Kies het goede antwoord.

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

9 van de 9 goed.
Opnieuw invullen

6

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

7

Luister naar de zin. 

Zet de woorden op de goede plaats.

Ik nodigde mijn vriendenuit.

We rekenden de boodschappen af.

Sarah stuurde de spullen terug.

Jullie ruimden de kamer goed op!

Ik legde je boek op tafel terug.

Layla maakte de doos open.

Ik pakte het cadeau mooi in.

Hij loste het probleem snel op.

We stapten op Schiphol over.

Ali en Julia maakten het huis schoon.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

Julie en David ... het pakje terug.

Ik ... mijn huiswerk al in.

We ... dit weekend eindelijk ons huis op.

We ... de buren voor het eten uit.

David ... zijn naam en adres in.

Julia ... het cadeau niet meteen uit.

Pas op! Je ... nog niet uit!

We ... gisteren ons huis schoon.

Anna ... de soep voor ons klaar.

Hij ... het brood en de melk al af.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

9

Lees de zin.
Sleep het woord naar de juiste plek.

Anna maakte   de keuken schoon.

Ik stuurde   het pakje terug.

Mijn moeder maakte   de bedden op.

We nodigden   de buren uit.

Hij loste   het probleem goed op.

Zij woonden   vijf jaar samen.

Alle cursisten leverden   hun huiswerk al in.

Ik lette even   niet goed op.

Mijn zus stapte   te laat uit.

Ik haalde   mijn zusje op.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

10

Lees de zinnen.

Welke zin is goed?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

11

Lees de woorden.

Zet de woorden op de goede plaats.

David pakte het cadeau in.

We maakten de rijst klaar.

Julia paste gisteren op.

Ze nodigden bijna al hun vrienden uit.

Julia en David stapten snel in.

Jullie losten de problemen goed op.

Mijn man haalde onze kinderen op.

Hij stapte niet over.

legde de opdracht goed uit.

Ik maakte het cadeau open.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

opruimen  
Ik ruim de kamer op. Ik ruimde de kamer op.
   
invullen  
Hij vult het formulier in. Hij vulde het formulier in.
   
schoonmaken  
We maken de keuken schoon. We maakten de keuken schoon.

 

Praat je over vroeger?

Gebruik je bijvoorbeeld opruimen, invullen, uitnodigen?

Schrijf -de(n)

Gebruik je bijvoorbeeld schoonmaken, opmaken, instappen, uitstappen?

Schrijf -te(n)

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.