Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

3.5 de zin met één of twee werkwoorden

1

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar de zin.

Sleep het woord naar de goede plaats.

Ik wil je   graag  ontmoeten.

Ik ontmoet je   op Schiphol  .

Ik wil met je   spelen  .

Anna gaat gauw   verhuizen  .

De kinderen   kunnen  niet fietsen.

Hij belt zijn vrouw  .

Sofia kan haar naam   spellen  .

Sofia spelt haar naam   goed  .

  moet   snel komen.

Ze wil soep   eten  .

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zin.

Zet de woorden op de goede plaats.

De bus zal hier stoppen.

De bus stopt hier.

Je kan maandag een afspraak maken.

Je maakt maandag een afspraak.

Jullie moeten zachter praten.

Hij wil een nieuwe telefoon kopen.

Hij koopt een nieuwe telefoon.

Ali en Mohammed gaan samen voetbal kijken.

Ik kan mijn laptop niet vinden.

moet daar wachten.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

4

Lees de zin.

De zin is fout.

Welk woord moet weg?

Typ dat woord.

Ik ga koop brood en kaas kopen.

koop

Ik koop brood en kaas kopen.

kopen

Ali mag help de docent helpen.

help

Ali helpt de docent helpen.

helpen

Ik moet hier betaal de boodschappen betalen.

betaal

Bewaar

5

Lees de zin.

Sleep het woord naar de juiste plek.

Hij wil   naar de moskee gaan.

Je moet   de deur dichtdoen.

Je kan   een nieuwe tv kopen.

We gaan   Nederlands leren.

U moet   de weg oversteken.

5 van de 5 goed.
Opnieuw invullen

6

Lees de zinnen.

Welke zin is goed?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het woord naar de goede plaats.

Mijn ouders kunnen goed   koken  .

Mijn ouders koken goed  .

Mijn vriend wil graag   verhuizen  .

Ik wil   ook   graag verhuizen.

We moeten   de keuken opruimen.

De kinderen mogen   een pizza kiezen.

Ze kiezen een pizza met tomaat en kaas  .

Mijn vader gaat   ons   snel helpen.

Ik wil de ramen   dichtdoen  .

U moet   het formulier invullen.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

8

Lees de woorden.

Zet de woorden op de goede plaats.

We willen morgen vertrekken.

We vertrekken morgen.

kunt daar inchecken.

betaalt straks.

Ik zal naar de supermarkt gaan.

De kinderen moeten de vraag beantwoorden.

Anna wil een pakje sturen.

Ik moet de boodschappen betalen.

Hij zal u advies geven.

Anna en Ali gaan een appartement huren.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

Ik leer Nederlands.  
       
Ik wil Nederlands leren.
       
John kijkt tv.  
John gaat tv kijken.
       
We komen morgen niet.  
We kunnen morgen niet komen.

 

Het tweede werkwoord (leren, kijken, komen) staat aan het eind van de zin.

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.