Luister naar de zin.
Wat hoor je?
Ik wil graag werken.
Ik graag werken.
We moeten veel reizen.
We veel reizen.
Ik nog brood kopen.
Ik moet nog brood kopen.
Ik niet naar de les komen.
Ik kan niet naar de les komen.
Hij gaat nu vertrekken.
Hij nu vertrekken.
Ik veel slapen.
Ik moet veel slapen.
Ik slaap veel.
Je kan de trui ruilen.
Je trui ruilen.
Hij een tv kopen.
Hij wil een tv kopen.
Mijn ouders gaan verhuizen.
Mijn ouders verhuizen.
Sleep het woord naar de goede plaats.
Ik wil je graag ontmoeten.
Ik ontmoet je op Schiphol .
Ik wil met je spelen .
Anna gaat gauw verhuizen .
De kinderen kunnen niet fietsen.
Hij belt zijn vrouw .
Sofia kan haar naam spellen .
Sofia spelt haar naam goed .
U moet snel komen.
Ze wil soep eten .
Zet de woorden op de goede plaats.
De bus zal hier stoppen.
De bus stopt hier.
Je kan maandag een afspraak maken.
Je maakt maandag een afspraak.
Jullie moeten zachter praten.
Hij wil een nieuwe telefoon kopen.
Hij koopt een nieuwe telefoon.
Ali en Mohammed gaan samen voetbal kijken.
Ik kan mijn laptop niet vinden.
U moet daar wachten.
Lees de zin.
De zin is fout.
Welk woord moet weg?
Typ dat woord.
Ik ga koop brood en kaas kopen.
koop
Ik koop brood en kaas kopen.
kopen
Ali mag help de docent helpen.
help
Ali helpt de docent helpen.
helpen
Ik moet hier betaal de boodschappen betalen.
betaal
Sleep het woord naar de juiste plek.
Hij wil naar de moskee gaan.
Je moet de deur dichtdoen.
Je kan een nieuwe tv kopen.
We gaan Nederlands leren.
U moet de weg oversteken.
Lees de zinnen.
Welke zin is goed?
U mag hier betalen.
U mag hier betaal.
We moeten kopen brood en kaas.
We moeten brood en kaas kopen.
Mijn ouders kan goed koken.
Mijn ouders kunnen goed koken.
Hij wil Nederlands leren.
Hij wil leren Nederlands.
Ik snel ga slapen.
Ik ga snel slapen.
Anna wil graag bestellen een pizza.
Anna wil graag een pizza bestellen.
Ze vanavond haar moeder e-mailen.
Ze e-mailt vanavond haar moeder.
Hij straks de dokter bellen.
Hij belt straks de dokter.
Ik nooit in Amsterdam fietsen.
Ik fiets nooit in Amsterdam.
We ga soep koken.
We gaan soep koken
Mijn ouders kunnen goed koken .
Mijn ouders koken goed .
Mijn vriend wil graag verhuizen .
Ik wil ook graag verhuizen.
We moeten de keuken opruimen.
De kinderen mogen een pizza kiezen.
Ze kiezen een pizza met tomaat en kaas .
Mijn vader gaat ons snel helpen.
Ik wil de ramen dichtdoen .
U moet het formulier invullen.
Lees de woorden.
We willen morgen vertrekken.
We vertrekken morgen.
U kunt daar inchecken.
U betaalt straks.
Ik zal naar de supermarkt gaan.
De kinderen moeten de vraag beantwoorden.
Anna wil een pakje sturen.
Ik moet de boodschappen betalen.
Hij zal u advies geven.
Anna en Ali gaan een appartement huren.
Dit is de regel:
Het tweede werkwoord (leren, kijken, komen) staat aan het eind van de zin.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.