Luister naar de zinnen.
Wat hoor je?
Vanavond ik blijf thuis.
Vanavond blijf ik thuis.
Morgen gaan we naar Amsterdam.
Morgen we gaan naar Amsterdam.
Misschien komen we vanavond.
Misschien we komen vanavond.
Soms ik doe boodschappen op de markt.
Soms doe ik boodschappen op de markt.
Natuurlijk ik ga met je mee.
Natuurlijk ga ik met je mee.
Morgen gaan we naar de markt.
Morgen we gaan naar de markt.
Zaterdag we eten vis.
Zaterdag eten we vis.
Daarom ik neem een paracetamol.
Daarom neem ik een paracetamol.
Om acht uur het nieuws begint.
Om acht uur begint het nieuws.
Daarna ga ik slapen.
Daarna ik ga slapen.
Gisteren we zijn naar de markt geweest.
Gisteren zijn we naar de markt geweest.
Vorige week is mijn broer hier gekomen.
Vorige week mijn broer is hier gekomen.
Vanavond we gaan samen koken.
Vanavond gaan we samen koken.
Vannacht heb ik niet goed geslapen.
Vannacht ik heb niet goed geslapen.
Gisteren ik ben laat naar bed gegaan.
Gisteren ben ik laat naar bed gegaan.
Daarom ben ik thuis gebleven.
Daarom ik ben thuis gebleven.
Dit weekend ik heb gefietst.
Dit weekend heb ik gefietst.
's Ochtends kan ik niet veel eten.
's Ochtends ik kan niet veel eten.
Daarna ben ik naar huis gegaan.
Daarna ik ben naar huis gegaan.
Om zeven uur we gaan eten.
Om zeven uur gaan we eten.
Luister naar de zin.
Zet de woorden op de goede plaats.
Gelukkig heb ik een fijne flat.
Morgen gaan we pizza's maken.
Vandaag ga ik mijn moeder bellen.
Misschien moet ik morgen werken.
Vanmiddag gaat het regenen.
Thuis heb ik veel boeken.
Op school werken we veel samen.
Volgende week wil ik een nieuwe jurk kopen.
Na de vakantie ga ik verhuizen.
Nu wil ik graag slapen.
Lees de zin.
Sleep het woord naar de juiste plek.
Zondag ga ik lekker niks doen.
In het weekend maken we het huis schoon.
Op de markt koop ik altijd fruit.
In de vakantie ga ik naar mijn broer.
Gisteren heb ik met mijn moeder gebeld.
's Nachts is mijn straat heel rustig.
Vanmiddag zijn we vrij.
Morgen ga ik naar het spreekuur van de dokter.
Op het station kopen we even koffie.
Na het feest zijn we naar huis gelopen.
Lees de zinnen.
Welke zin is goed?
Morgen moet ik boodschappen doen.
Morgen ik moet boodschappen doen.
Vandaag ik help mijn docent.
Vandaag help ik mijn docent.
Zaterdag komen de buren bij ons.
Zaterdag de buren komen bij ons.
Ik hou niet van vlees. Daarom eet ik veel groente.
Ik hou niet van vlees. Daarom ik eet veel groente.
Morgen willen we gaan winkelen.
Morgen we willen gaan winkelen.
Ik ga koken. Daarna we gaan samen eten.
Ik ga koken. Daarna gaan we samen eten.
In het weekend wil ik niet werken.
In het weekend ik wil niet werken.
Ik ben ziek. Daarom ik kan niet komen.
Ik ben ziek. Daarom kan ik niet komen.
Maandag kan je een afspraak maken.
Maandag je kan een afspraak maken.
Straks gaat hij zijn vrouw bellen.
Straks hij gaat zijn vrouw bellen.
Lees de woorden.
Vanavond eten we rijst en groente.
Morgen beginnen we om negen uur.
Misschien ga ik een nieuwe broek kopen.
Vrijdag trouwtmijn zusmet John.
Thuis slaap ik het best.
In mijn dorp wonen weinig mensen.
In Nederland is veel water.
Bij het ontbijt eten we nooit brood.
Om elf uur begint de les.
's-Avonds spelen we met de kinderen.
Dit is de regel:
Kijk naar de plaats van het onderwerp.
Kijk naar de plaats van het (hoofd)werkwoord.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.