Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

2.21 het werkwoord: ik kwam, ik ging

1

Luister naar het woord.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar de zin.

Lees de vraag.

Kies het goede antwoord.

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zin.

Lees de vraag.

Kies het goede antwoord.

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

Is het nu of vroeger?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zin.
Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

6

Luister naar de zin.

Kies het goede antwoord.

Mijn moeder ... me met mijn huiswerk.

De kinderen ... om 21:00 naar bed.

Adam ... elke avond een biertje.

Ik ... de afwas en mijn vriend deed de was.

Mijn zus ... in 2017 haar eerste kind.

David en Mohammed ... de film fantastisch.

Ik ... elke vrijdagmiddag patat.

Ali ... problemen op het werk.

Sarah an Layla ... iets aan hun docent.

Mijn opa ... vaak aan vroeger.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

7

Luister naar de zin.

Zet de woorden op de goede plaats.

Julia reed naar Amsterdam.

We aten gisteravond om 19:00 uur.

Ik kon jullie niet helpen.

Adam en Mohammed kwamen niet naar het feest.

Anna liep met Sofia naar de bakker.

John zag zijn kind nergens.

We bleven vier dagen in Parijs.

Layla kocht vorige week nieuwe kleren.

We vonden dat een goede oplossing.

Ik kreeg in 1999 een broertje.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

David ... aan zijn oma.

Wat ... je op je verjaardag?

We ... vroeger vaak bij de buren spelen.

De vrienden van Sofia ... drie weken in Friesland.

Mohamed ... niks tegen zijn vader.

Ben je ziek? Dat ... we niet.

Ik ... elke dag met mijn broertje naar school.

Ali ... me drie kussen.

Mijn ouders ... mijn oom met zijn verhuizing.

We ... gisteren ons huis niet binnenkomen.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

9

Lees de zinnen.

Welke zin is goed?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

10

Lees de woorden.

Zet de woorden op de goede plaats.

We vonden de pizza lekker.

Adam moest naar huis lopen.

Ik dacht gisteren aan mijn opa.

Ze vroegen het adres van mijn ouders.

Sofia en Ali keken naar hun bankrekening.

Ik dronk heel veel cola.

We gaven de meisjes een leuk cadeau.

Ik was een vervelend kind.

Mijn ouders gingen niet op vakantie.

Layla hielp Julia met de baby.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

komen    
Ik kom ik kwam we kwamen.
     
Je komt je kwam jullie kwamen.
U komt u kwam  
     
Hij komt hij kwam zij kwamen.
Ze komt ze kwam  
     
gaan    
Ik ga ik ging we gingen.
     
Je gaat je ging jullie gingen.
U gaat u ging  
     
Hij gaat hij ging zij gingen.
Ze gaat ze ging  

 

Komen en gaan zijn onregelmatige werkwoorden.

Er zijn veel onregelmatige werkwoorden.

Bijvoorbeeld: hebben, zijn, schrijven, drinken, spreken, doen.

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.