Draai je tablet om verder te gaan.

11 Wat gaan we doen?

Ik vier Koningsdag in Zwolle

1 Doe de taak

Vertellen over een feestdag

1

Lees de tekst.

 

thema 11-taak 4-1-H-100�

 

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

  1. Wat weet je over Koningsdag? Noem drie dingen.
     
  2. Wat mag op Koningsdag?
     
  3. Wat mag niet op Koningsdag?
     
  4. Ben jij op Koningsdag vrij?
     
  5. Wat doe je met Koningsdag?

3

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Praten over een feest

A: Welk feestdag vier je graag?

B: Ik vier graag Koningsdag.

A: Wanneer is dat?

B: Het is ieder jaar op 27 april.

A: Met wie vier je het feest?

B: Met mijn vrienden.

A: Hoelang duurt het feest?

B: Het duurt één dag.

A: Wat doe je?

B: Ik loop in de stad.

      Er is veel muziek. Het is gezellig.

      Ik eet en drink lekker.

A: Wat eet en drink je?

B: Ik eet friet en hamburgers.

      Ik drink frisdrank.

A: Wat voor kleren draag je?

B: Ik draag kleren in de kleur oranje.

A: Geef je cadeaus

B: Nee, ik geef geen cadeaus.

4

Werk samen. Kijk naar de foto’s. Praat over de vragen.

  1. Ken je het feest? Wat denk je?
     
  2. Wat doen de mensen op de foto?
     
  3. Vier je dit feest?

11.4.4.1

11.4.4.2

11.4.4.3

11.4.4.4

11.4.4.5

11.4.4.6

5

Beantwoord de vragen.

Kies een feest dat jij viert.

 

A: Welke feestdag vier je graag?

B:  .

A: Wanneer is dat?

B:  .

A: Met wie vier je het feest?

B:  .

A: Hoelang duurt het feest?

B:  .

A: Wat doe je?

B:  .

       .

A: Wat eet en drink je?

B:  .

A: Wat voor kleren draag je?

B:  .

A: Geef je cadeaus? Wat geef je?

B:  .

 


6

Werk samen. Praat over opdracht 5.

A interviewt B over een feest.

A stelt vragen.

B geeft antwoord.

Wissel daarna van rol.

7

Werk samen. Doe opdracht 6 nog een keer, met een ander.

A begint.

Wissel daarna van rol.

8

Praat voor de groep. Vertel over een feest.

Kies een feest.

Praat één minuut over het feest.

Geef informatie over het feest, bijvoorbeeld:

  • Wanneer is het?
  • Hoelang duurt het?
  • Wat voor kleren dragen mensen?
  • etc.

9

Schrijf een e-mail.

Je krijgt een e-mail van het wijkcentrum.

Schrijf over een feest. Beantwoord de vragen.

Schrijf minimaal zes zinnen.

 

thema 11-taak 4-9-A-H-100�

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.