Draai je tablet om verder te gaan.

11 Wat gaan we doen?

Sorry, dat kan niet

1 Doe de taak

Hulp vragen en reageren

1

Lees de tekst.

 

Dat vind ik lastig.

Omar en Jade hebben allebei een probleem.

Ze vragen advies op internet.

thema 11-taak 2-1-b-H-100�

thema 11-taak 2-1-H-100�

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

  1. Wat is het probleem van Jade?
  2. Welk advies geef John aan Jade?
  3. Wat is het probleem van Omar?
  4. Welke adviezen geven Joris, Cheng en Sylvia?

3

Werk samen. Luister naar de gesprekken. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Hulp vragen en reageren

A: Hoi, ik wil vanavond naar de bioscoop.
      Kun je op mijn kinderen passen?
B: Ja, natuurlijk.
      Ik help je graag, want we zijn goede vrienden.
A: Wat fijn, dankjewel!

A: Hoi, ik ga op vakantie.
      Mag mijn hond bij jou logeren?
B: Nee, het spijt me.
      Dat kan niet, want ik heb geen tijd.
A: Oké, jammer.

4

Lees de situatie. Schrijf een reactie.

Schrijf twee reacties: voor ‘ja’ en voor ‘nee’. Schrijf ook waarom.

 

1. Je doet een cursus Nederlands. Je hebt op maandag een belangrijke toets.
Een goede vriend zegt: 'Ik moet op maandag naar de dokter. Kun je met me meegaan?'
Wat zeg je?

 

Ja, ..., want ...



Nee, sorry, ..., want ...



2. Je zoon is jarig. Vanavond eet je met je familie.
Je bent op je werk. Het is druk. Je baas vraagt: ‘Kun je vanavond ook werken?’
Wat zeg je?

 

Ja, ..., want ...



Nee, sorry, ..., want ...



3. Je houdt van voetbal.
Vrijdag is er voetbal op tv. Je wilt graag kijken.
De buren vragen: ‘Kom je op vrijdag bij ons eten?’
Wat zeg je?

 

Ja, ..., want ...



Nee, sorry, ..., want ...



5

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 4.

A begint.
Wissel van rol.

 

A vraagt aan B.
B kiest een reactie: ‘ja’ of ‘nee’ en zegt waarom.
B kijkt bij opdracht 4.

 

1 A: Ik moet op maandag naar de dokter. Kun je met me meegaan?
   B: …

 

2 A: Het is druk. Kun je vanavond ook werken?
    B: …

 

3 A: Kom je vanavond bij ons eten?
    B: …

6

Werk samen. Praat samen.

A kiest een vraag.

A stelt de vraag aan B.
B geeft een antwoord met ‘want’.

Wissel daarna van rol.
Kies een nieuwe vraag.

 

1. Kom je zaterdag naar mijn feest?

2. Wil je me helpen met mijn huiswerk?

3. Mag ik je laptop gebruiken?

4. Kun je in de vakantie voor mijn poes zorgen?

5. Kun je vrijdag op mijn kind passen?

6. Kun je me in het weekend helpen met verhuizen?

7

Werk samen. Doe opdracht 6 nog een keer.

A bedenkt nu zelf een vraag.

B geeft een antwoord met ‘want’.

8

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

Je werkt in een winkel. Je krijgt een e-mail van je baas.
Zeg dat je niet kan. Zeg ook waarom.

 

thema 11-taak 1-8-A-H-100%

Stuur naar je docent

9

Kruis aan.

Lees de situaties. Wat vind jij?

 

10

Werk samen. Praat over opdracht 9.

Vergelijk jullie antwoorden. Wat is anders?

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.