Draai je tablet om verder te gaan.

11 Wat gaan we doen?

Ga je mee naar de sportschool?

1 Doe de taak

Vragen of iemand met je meegaat

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Zullen we samen naar het zwembad gaan?

Jacky belt haar vriendin Paola. 

Paola

Met Paola Summa.

Jacky

Hoi Paola, met Jacky. Zullen we zaterdag samen naar het zwembad gaan? Ik moet echt een beetje meer bewegen.

Paola

Ja, dat geldt ook voor mij. Ik doe bijna niets meer. Ik loop nog wel met de kinderen naar de speeltuin, in het park bij ons in de buurt. Maar ik sport niet en ik zit veel. Ik leef niet echt gezond. Dus ja. Ik ga met je mee.

Jacky

En de kinderen? Die kunnen wel met ons mee.

Paola

Nee, die zijn zo snel moe. Die blijven lekker thuis. Bij hun vader. Ik vraag het hem even. Felix? Ga jij zaterdag weg of blijf je zaterdag thuis? Kan jij op de kinderen passen? Ik wil gaan zwemmen met Jacky. Oké?

Felix

Ik kan wel oppassen, maar ik moet om vier uur op mijn werk zijn. Ben je dan weer terug?

Paola

Ja, fijn. Ik beloof het je: ik ben op tijd weer thuis. Dus Jacky, je hoort het. Ik kan zaterdag weg, maar ik moet uiterlijk om drie uur thuis zijn.

Jacky

Super!

Paola

Kun je mij ophalen?

Jacky

Ja, dat is goed. Hoe laat gaan we weg? Om 11.00 uur bij jou?

Paola

Ja fijn, tot dan.

Ga je mee?

Adnan belt met zijn vriend Rashid.

Rashid

Met Rashid.

Adnan

Met mij. Ga je straks mee? Ik ga over een half uur naar de sportschool.

Rashid

Ik heb wel zin. Maar ik kan niet, want ik heb een blessure aan mijn arm. Ik kan mijn arm haast niet optillen en mijn vingers zijn helemaal dik. Gisteren heb ik te zwaar getraind.

Adnan

Is het ernstig?

Rashid

Ik denk het niet, maar het doet wel verschrikkelijke pijn. Voorlopig kan ik niet sporten.

Adnan

Rot voor je. Maar het gaat vast snel over.

Rashid

Ik hoop het.

Adnan

Dan ga ik maar alleen. Niets aan te doen.

Rashid

Veel succes dan. Tot later!

2

Werk samen. Praat over opdracht 1.

 

Gesprek 1:


1. Wat gaan de vrouwen samen doen?


2. Op welke dag gaan ze?


3. Hoe laat gaan ze?

 

Gesprek 2:


1. Wat vraagt Rachid aan zijn vriend?


2. Wat zegt de vriend?

3

Werk samen. Luister naar de gesprekken. Lees de zinnen hardop.

A begint.
Wissel daarna van rol.

 

A wil iets samen doen. A belt B.

Vragen of iemand met je meegaat

A: Hallo, met mij.
      Zullen we in het weekend samen naar het zwembad gaan?
B: Ja leuk, ik ga met je mee.
      Wanneer gaan we?
A: Op zaterdag, om twee uur?
B: Dat is goed.
      Hoe gaan we?
A: Ik ga met de fiets, want dat is het snelst.
      En jij?
B: Ik ga met de bus, want mijn fiets is kapot.
      Waar zien we elkaar?
A: Bij de ingang van het zwembad.
B:  Oké. Leuk. Tot dan!

A: Hé. Ga je mee naar de sportschool?
B:  Ik heb wel zin, maar ik kan niet.
       Ik moet straks werken.
A:  Wat jammer. Dan ga ik alleen.
       Succes met werken.
B:  Dank je.
       Tot later!

4

Vul in.

Je hebt een vrije dag. Je werkt vandaag niet en je gaat vandaag niet naar school.

Je wilt niet thuisblijven. Waar ga je naartoe?

5

Werk samen. Praat over opdracht 4.

A begint.
Wissel daarna van rol.

 

A vraagt aan B:

  • Je bent vrij. Je wilt niet thuisblijven. Waar ga je naartoe?
  • Ga je alleen of samen? Met wie ga je?
  • Wanneer ga je?
  • Hoe ga je?

B geeft antwoord.

6

Werk samen. Maak het gesprek af. Gebruik opdracht 4.

Je wilt iets samen doen. Je belt iemand.
Kies een activiteit van opdracht 4.
Kies wanneer en hoe je gaat.

 

A: Hallo, met  .
      Zullen we  ?
B: Ja leuk, ik ga met je mee.
     Wanneer gaan we?
A: Op  ?
B: Dat is goed.
      Hoe gaan we?
A: Ik ga  , want  .
      En jij?
B: Ik ook.
      Waar zien we elkaar?
A: Bij  .
B: Oké. Leuk. Tot dan!

 


7

Werk samen. Lees het gesprek van opdracht 6 hardop.

A begint.
Wissel daarna van rol.

8

Werk samen. Praat samen.

 

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A wil iets samen doen.
A kiest een activiteit.

A vraagt: Zullen we…?


B vraagt:
Wanneer gaan we?
Hoe gaan we?
Waar zien we elkaar?


A geeft antwoord.

9

Werk samen. Doe het gesprek van opdracht 8 nog een keer.

B antwoordt nu zo:
Ik heb wel zin, maar …

10

Schrijf een bericht.

Je hebt een vrije dag. Je wilt iets samen doen.
Stuur een bericht naar een vriend of vriendin.

 

Vraag: Ga je mee?
 

Schrijf:

  • Wat wil je doen?
  • Wanneer wil je gaan? (dag en tijd)
  • Hoe wil je gaan?
  • Waar zien jullie elkaar?

Begin zo:
Hé, zullen we…

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.