Luister naar de zin.
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
Ik wil je advies ...
halen.
vragen.
Mijn zoon is ... sterk.
ontzettend
origineel
Is dat ...
zeker?
zo?
Hij moet ... luisteren.
gemakkelijk
gewoon
Ze ... dat niet.
weet
wil
We hebben al andere ...
plannen.
schema's.
Morgen ben ik ...
er niet.
eruit.
Ik wil ... te laat naar huis.
beslist niet
meestal niet
Sleep het goede woord in de zin.
Younes heeft een probleem. Hij vraagt advies aan zijn broer.
Mia helpt andere mensen nooit. Ze doet egoïstisch.
Ik kan niet goed fietsen. Dat vind ik lastig.
Tesfay heeft 3 uur geslapen. Hij is ontzettend moe.
Ik ben heel erg moe. Ik wil beslist niet met je naar de stad.
Khalil houdt niet van zwemmen. Hij is bang voor water.
Alleen auto rijden vind ik eng. Ik durf het niet.
Dat is geen goed idee. Niet doen!
Je moet niet zo vervelend doen. Dat vind ik niet leuk.
We hebben geen huisdier. Mijn moeder wil dat niet.
Dit weekend kan ik niet: ik heb al andere plannen.
Tatiana vindt Nederlands spreken moeilijk. Ze moet gewoon oefenen.
Wat hoort bij elkaar?
Is dat zo?
Klopt dat?
Niet doen!
Stop!
Dat kan niet.
Dat is niet mogelijk.
Dat vind ik lastig.
Dat is moeilijk.
Ik durf het niet.
Ik ben bang.
Kies de goede reactie.
Kun je vanavond oppassen?
Sorry, dat kan niet.
Sorry, dat klopt niet.
Is Lina thuis?
Ze is er niet.
Ze kan niet.
Sara vindt honden eng.
Ze is ontzettend bang voor honden.
Ze is ontzettend blij met honden.
Ik doe tandpasta op mijn brood.
Geen probleem!
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.