Draai je tablet om verder te gaan.

11 Wat gaan we doen?

Ga je mee naar de sportschool?

1 Woorden oefenen

1

Lees de woorden.

Kijk naar de plaatjes.

Zet de woorden bij de goede plaatjes.

zwemmen

sporten

optillen

Opnieuw invullen

2

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

de arm

de vinger

de speeltuin

de sportschool

het zwembad

Opnieuw invullen

3

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

Maya zit de hele dag achter de computer. Ze ... niet veel.

Hij ... alleen. Zijn familie woont niet in Nederland.

Chan heeft een ... baan. Hij werkt lange dagen.

Volgend weekend hebben we een gezellige ...: een feest in onze buurt.

Mensen hebben twee ... en twee benen.

Manuel is gek op voetbal. Hij ... drie keer per week.

Morgen is het ook nog warm. Het blijft ... lekker weer.

Kun jij vanavond ...? Ik moet werken.

Mijn telefoon doet ... meer. Hij is leeg.

9 van de 9 goed.
Opnieuw invullen

4

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

Kom je zaterdag op mijn feest? Ik ... het!

Hier is zo veel lawaai. Ik kan je ... niet horen.

Meneer Vos wil afvallen. Hij moet meer ...

De volgende keer kom ik op tijd. Ik ... het!

Nina is vandaag niet op haar werk. Ze is ... ziek.

Ik wil niet meer lezen, want ik heb ... hoofdpijn.

Houda heeft een ... aan haar been. Ze mag een paar weken niet voetballen.

In de klas ... regels: je mag bijvoorbeeld niet bellen.

U ontvangt ... op 15 april een reactie van ons. Dat is de laatste datum.

9 van de 9 goed.
Opnieuw invullen

5

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Zaterdag en zondag is het weekend.

De bus is al 20 minuten te laat. Hij heeft vast vertraging.

Vandaag voel ik me beter dan gisteren.

Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Rafi doet elke dag een zware training in de sportschool.

Ik heb pijn in mijn been. Ik kan voorlopig niet sporten.

De winkel is tot uiterlijk 22.00 uur open, dus niet langer.

Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Welke activiteit vind je leuker: fietsen of zwemmen?

Iwan heeft het zo druk. Hij heeft haast geen tijd voor zijn vrienden.

Mevrouw Rinaldi zit altijd binnen. Ze is ernstig ziek.

Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Volgende week help ik je met klussen. Ik beloof het.

Beterschap! We hopen dat je snel beter bent.

Ying leeft gezond: ze sport elke dag en eet veel groente.

Julia houdt van fietsen, maar dat geldt niet voor mij.

Opnieuw invullen

9

Wat hoort bij elkaar?

vandaag

gisteren

iets

niets

fietsen

lopen

Opnieuw invullen

10

Wat hoort bij elkaar?

zwemmen

het zwembad

sporten

de sportschool

oppassen

de baby

Opnieuw invullen

11

Wat hoort bij elkaar?

de hand

de vinger

de blessure

de pijn

het weekend

zaterdag

Opnieuw invullen

12

Wat hoort bij elkaar?

een zware tas

optillen

in de sportschool

trainen

in de speeltuin

spelen

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.