Luister naar de zin. Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
Ik moet ... sporten.
beter
meer
Vanavond blijven we ... thuis.
lekker
leuk
Ik ga ...
met hem mee.
met je mee.
Hij kan ... lopen.
haast niet
vaak niet
Veel ... vandaag!
stress
succes
Dat ... ook voor mij.
gaat
geldt
... we samen naar de markt gaan?
Kunnen
Zullen
Hè, dat is ... voor je.
goed
rot
Mijn hand ... pijn.
doet
heeft
Jammer! Niets ... te doen.
aan
mee
Ik ga naar de stad. Ga je ...
met?
mee?
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
Vanavond ga ik niet uit, maar blijf ik lekker thuis.
Ga je naar het station? Ik ga met je mee.
Mijn vrouw fietst graag en dat geldt ook voor mij.
Morgen ben ik vrij. Zullen we naar het strand gaan?
Pooya eet niet gezond. Hij moet meer groente eten.
Ik ga stoppen met roken. Echt, ik beloof het!
Meneer Dali heeft pijn in zijn rug. Hij kan haast niet zitten.
Ben je je sleutel kwijt? Dat is rot voor je.
Elena heeft te lang op de computer gewerkt. Haar ogen doen pijn.
Wat hoort bij elkaar?
Super
Heel leuk
Tot later
Tot straks
Niets aan te doen
Jammer
Luister naar de zin.
Lees de zin. Kies de goede reactie.
Wat is uw klacht?
Dit is niet fijn.
Mijn arm doet pijn.
Ik ga even naar het winkelcentrum.
Tot later.
Tot morgen.
Ik ben al twee weken verkouden.
Net op tijd!
Rot voor je!
Gefeliciteerd! U mag 1 minuut gratis winkelen.
Slecht!
Super!
Vanmiddag moet ik werken.
Veel ervaring.
Veel succes.
Ik heb een half uur vertraging.
Het gaat niet over.
Niets aan te doen.
Je moet meer sporten.
Ik beloof het je.
Ik spreek je later.
Ga je met me mee naar het feest?
Het gaat wel.
Sorry, ik kan niet.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.