Je uiterlijk en karakter beschrijven
A: Wat voor uiterlijk heb je?
B: Ik heb groene ogen.
Ik heb lang, bruin haar.
Ik ben niet zo lang.
A: Wat voor karakter heb je?
B: Ik ben vrolijk en sociaal.
Ik ben soms grappig.
Ik ben ook een beetje ongeduldig.
A: Op wie lijk je?
B: Ik lijk op mijn moeder, want we hebben hetzelfde haar.
Ik lijk ook op mijn vader, want we zijn allebei ongeduldig.