Vertellen over een bruiloft
A: Naar welke bruiloft ben je geweest?
B: Ik ben naar de bruiloft van mijn nicht geweest.
A: Hoe ben je naar de bruiloft gegaan?
B: Ik ben met een mooie auto gegaan.
A: Wat heb je op het feest gedaan?
B: Ik heb met veel mensen gepraat.
A: Hoeveel gasten zijn er gekomen?
B: Er zijn ongeveer 100 mensen gekomen.
A: Wat hebben jullie gegeten?
B: We hebben een lekkere maaltijd gegeten.
A: Heb je speciale kleren gekocht?
B: Ja, ik heb een nieuwe jurk gekocht.
A: Wat voor cadeau heb je gegeven?
B: Ik heb geld gegeven.