Draai je tablet om verder te gaan.

14 Mijn zus woont in Zweden

Wat heb je dit weekend gedaan?

1 Woorden oefenen

1

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

nul

de bal

de kus

de gehaktbal

Opnieuw invullen

2

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

skypen

de voeten

de strepen

Opnieuw invullen

3

Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

Ik moet vaak om hem lachen. Ik vind hem ...

Deze schoenen zijn erg ... Veel jongeren dragen ze.

Igor vindt zijn werk niet leuk. Hij ... vaak.

Dit land heeft een fijn ...: niet te warm en niet te koud.

Wacht, ik kan je niet goed horen. Je stem ...

Sahar komt vandaag niet, ... ze ziek is.

De ... tussen mijn zus en mij is heel goed. We doen veel dingen samen.

Ik heb op straat een ... ongeluk gezien.

8 van de 8 goed.
Opnieuw invullen

4

Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

Ik luister graag naar Romina. Ze heeft een mooie ...

Een voetbal is ...

Ik houd niet van de ... van knoflook. Bah!

Hij pakt zijn pen en zet een ... op het papier.

De hond van mijn buurvrouw is overleden. Dat vind ik ... voor haar.

Gaan jullie op vakantie naar ...? Dat is een prachtig land.

Ik heb twee handen en twee ...

De vakantie was heel ... Ik heb veel mooie plekken gezien.

..., mijn telefoon is weg!

9 van de 9 goed.
Opnieuw invullen

5

Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.

Sommige mensen bakken zelf brood.
Je moet niet zo veel klagen. Dat vind ik niet leuk.
De telefoon kraakt. Het geluid is niet duidelijk.

Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Tomaten en sinaasappels zijn rond.
Wat een mooie kleding! Erg hip.
De docent vertelt een grappig verhaal. Alle cursisten moeten lachen.

Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Mijn vriend en ik hebben al twee jaar een relatie.
Deze maaltijd vind ik niet zo lekker. Hij heeft weinig smaak.

Mihret heeft een zachte stem. Ze moet harder praten.

Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Bilal heeft geen huis meer. Dat vind ik zielig.
3 - 3 = nul.
Wat een leuk boek! Ik vind het verhaal heel grappig.

Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

James leert Nederlands, omdat hij in Nederland woont.
We gaan met de boot naar Zweden.
Oei, het is al laat! Ik ga snel naar huis.

Opnieuw invullen

10

Wat hoort bij elkaar?

de film

de bioscoop

de bal

de sport

de gehaktbal

het eten

Opnieuw invullen

11

Wat hoort bij elkaar?

het weer

het klimaat

skypen

de computer

de voet

het been

Opnieuw invullen

12

Wat hoort bij elkaar?

een taart

bakken

een film

kijken

een trui

aanhebben

een kusje

geven

Opnieuw invullen

13

Wat hoort bij elkaar?

bijzonder

speciaal

afschuwelijk

verschrikkelijk

aanhebben

dragen

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.