Draai je tablet om verder te gaan.

14 Mijn zus woont in Zweden

We lijken op elkaar

1 Routines oefenen

1

Luister naar de zin.
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

Ze wandelden ... een mooie stad.

We hebben ... mond.

Lijk jij veel ... je moeder?

Dat kan ... gebeuren.

Hij is ... vrolijk als ik.

Onze neus ...

De spullen liggen ... zolder.

Ik lijk ... op mijn vader.

Bram rookt de ene sigaret ...

Dit is mijn vriend. ... leuke jongen, hè!

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

2

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Mijn buurman maakt vaak grapjes. Ik moet altijd lachen.
Mijn zus lijkt meer op mijn moeder dan ik.
Naima is heel sociaal. Ze praat graag met nieuwe mensen.

Opnieuw invullen

3

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Boris is aardig en zijn zus ook. Ze zijn allebei aardig.

Lucy en ik hebben lang, bruin haar. Ons haar is hetzelfde.

Yasin is lang en dun, maar zijn broer is dik. Ze lijken niet op elkaar.

Opnieuw invullen

4

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Is Pooya net zo oud als Eli? Of is hij ouder?

Het is heel warm. Felipe drinkt de ene fles water na de andere.

Onze baby slaapt goed en huilt nooit. Wat een lief kind, ?

Opnieuw invullen

5

Wat hoort bij elkaar?

Robert lijkt

op zijn vader.

Tesfay maakt

altijd grapjes.

We wandelen vaak

door de buurt.

Lily en Amber zijn allebei

26 jaar.

Opnieuw invullen

6

Wat hoort bij elkaar?

Mijn vader is net zo streng

als mijn opa.

Mijn zus en ik hebben

dezelfde ogen.

Mijn broer en ik lijken niet

op elkaar.

Opnieuw invullen

7

Luister naar de zin.
Lees de zin.
Kies de goede reactie.

Wat doe jij meestal in het weekend?

Waar staat de wasmachine?

Ik ben mijn boek vergeten.

3 van de 3 goed.
Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.