Draai je tablet om verder te gaan.

14 Mijn zus woont in Zweden

Wat heb je dit weekend gedaan?

1 Doe de taak

Vertellen wat je hebt gedaan

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Is er verder nog nieuws?

De oudere zus van Rafi heet Sara. 

Sara woont sinds kort in Zweden.

Rafi skypt elke zondag met zijn zus.

Rafi

Ha grote zus, kun je me goed horen?

Sara

Ja hoor, je stem kraakt een beetje, maar het gaat wel. En ik zie je goed! Wat heb je een hippe trui aan, leuk die strepen! Is hij nieuw?

Rafi

Ja, ik wilde een dikke trui hebben, omdat het hier vriest.

Sara

Nou, bij ons is het vijftien graden onder nul, afschuwelijk. Ik heb de hele tijd koude voeten, wat een rotklimaat. 

Rafi

Zielig.

Sara

Sorry, ik begin meteen te klagen. Hoe is het met jou?

Rafi

Jij mag eerst vertellen. Wat heb je dit weekend gedaan? Ben je nog naar buiten geweest?

Sara

Nee, ik ben lekker binnen gebleven. Ik heb drie films gekeken en ik heb een taart gebakken, voor een vriendin. En jij?

Rafi

Ik heb ook niet zoveel gedaan. Ik heb zaterdag deze trui gekocht. En ‘s avonds heb ik bij een Nederlandse vriend gehaktballen gegeten. Heb je die daar ook in Zweden?

Sara

Ja, grappig, die eten ze hier ook. Grote, ronde ballen, met weinig smaak. Oei, ik ga weer klagen. Is er verder nog nieuws?

Rafi

Nee, hier is niets bijzonders gebeurd. Bij jou?

Sara

Nee, hier ook niet. We skypen volgende week weer. Dag lief broertje. Kusje.

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

  1. Wat zeggen de man en de vrouw over het weer?
  2. Wat heeft de vrouw in het weekend gedaan?
  3. Wat heeft de man in het weekend gedaan?

3

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Vertellen wat je hebt gedaan

A: Hoe is het met je?

B: Goed hoor en met jou?

A: Ook goed.

      Wat heb je dit weekend gedaan?

B: Ik heb niet zoveel gedaan.

      Ik heb naar een film gekeken.

A: Waar ben je naartoe gegaan?

B: Ik ben naar de markt gegaan.

A: Wat heb je gekocht?

B: Ik heb een trui gekocht.

A: Wat heb je gegeten?

B: Ik heb bij een vriend gehaktballen gegeten.

     En we hebben samen thee gedronken.

A: Wat leuk!

4

Vul in. Gebruik het voorbeeld.

Hoe vraag je iets over gisteren? Kijk bij opdracht 3.

5

Vul in. Gebruik  het voorbeeld.

Hoe zeg je iets over gisteren?

6

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 4 en 5.

A en B praten over gisteren.

A stelt de vragen van opdracht 4.

B geeft antwoord en gebruikt opdracht 5.

Wissel daarna van rol.

7

Werk samen. Praat samen. Gebruik de foto's. 

A begint.

Wissel daarna van rol.


A stelt de vraag.

B geeft antwoord en gebruikt de foto.

 

A: Wat heb je gedaan?

B: Ik heb ...

14.1.7.1 300

 

A: Waar ben je naartoe gegaan?

B: Ik ben ...

14.1.7.2 300

 

A: Wat heb je gekocht?

B: Ik heb ...

14.1.7.3 300

 

A: Wat heb je gedronken?

B: Ik heb ...

14.1.7.4 300

 

A: Wat heb je gegeten?

B: Ik heb ...

14.1.7.5 300

 

A: Naar welk programma heb je gekeken?

B: Ik heb ...

14.1.7.6 300

8

Werk samen. Praat samen.

A begint.
Wissel daarna van rol.

 

Denk allebei aan gisteren.

Praat samen over gisteren.

A stelt vragen aan B.

B geeft antwoord.

9

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

 

Het is maandag. Je krijgt een bericht van een collega.

Schrijf over je activiteiten in het weekend. Schrijf over drie activiteiten.

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.