Draai je tablet om verder te gaan.

6 Met de trein of met de bus?

Ik reis elke dag met de bus

1 Verstaan en nazeggen

1

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

7 van de 7 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar de zin.

Welk woord hoor je?

7 van de 7 goed.
Opnieuw invullen

3

Hoeveel woorden hoor je?

3 van de 3 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zin en zeg na.

Het is half acht 's morgens.

Ik sta bij de bushalte.

Het is winter.

Het regent.

De bus is vol.

Ik kan gelukkig zitten.

Hij slaapt, denk ik.

Het is stil.

Ik kijk naar buiten.

Ik zit lekker droog.

Iedereen heeft haast.

Ik denk aan de zomer.

Ik droom een beetje.

Het is warm in de bus.

Ik moet eruit!

Net op tijd!

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.