Werk samen. Praat samen. Gebruik de afbeelding.
A begint.
Wissel daarna van rol.
A vraagt de weg naar de Albert Heijn.
B kijkt naar de afbeelding en geeft antwoord.
A: Mag ik ...?
B: ...
A: Ik zoek ...
Weet u ...?
B: Ja hoor, ...
Je loopt eerst rechtdoor.
Je neemt ...
Dan ...
En dan ...
De Albert Heijn zit ...
A: Oké, ...