Een reis plannen
A: Waar gaan we heen?
B: We gaan naar Rotterdam.
A: Hoe laat vertrekt de trein?
B: De trein vertrekt om twee voor elf.
A: Hoe laat komen we aan?
B: We komen om vijf voor twaalf aan.
A: Van welk spoor vertrekt de trein?
B: De trein vertrekt van spoor 6.
A: Moeten we overstappen?
B: Nee, het is een directe verbinding.
A: Wat is de reistijd?
B: De reistijd is 57 minuten.