Draai je tablet om verder te gaan.

6 Met de trein of met de bus?

Ik reis elke dag met de bus

1 Woorden oefenen

1

Lees de woorden.

Kijk naar de plaatjes.

Zet de woorden bij de goede plaatjes.

de auto

de bushalte

de deur

de weg

het strand

Opnieuw invullen

2

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

Ik zit in de trein. ... me zit een vervelende vrouw.

Ik ken deze ... Hij vertrekt altijd op tijd.

Vandaag regent het niet. Het is gelukkig ...

Ik fiets nooit. Ik neem ... dag de bus.

Abdallah vindt het niet fijn in de trein. Hij wil ...

Eva heeft ... Ze is bijna te laat op haar werk.

De deuren gaan open. ... mag instappen.

Mijn ouders doen drie ... per week boodschappen.

Wat een vies weer! Het is echt ...

Het is rustig in de bus. ... staat in de bus.

Ik ga de bus in en ik ... in.

Het is stil in de trein. De ... praten niet.

De trein stopt. De deuren gaan ...

Het is heel nat op straat. Het ... al de hele dag.

14 van de 14 goed.
Opnieuw invullen

3

Lees de zin.

Sleep het goede antwoord in de zin.

De docent praat. Iedereen in de klas is stil.

De bus stopt niet bij deze halte.

Wat veel mensen! De tram is echt vol vandaag.

Opnieuw invullen

4

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

De bus stopt. Ik moet hier uitstappen.

David vertelt op zijn feest een verhaal over zijn geboorteplaats.

Waarom zit je achter me en niet naast me?

Opnieuw invullen

5

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Het is erg druk in de trein. Niemand kan instappen.

De trein heeft vertraging. De mensen stappen snel uit. Ze hebben haast.

Ik ga elke week een keer met de trein naar een vriend in Rotterdam.

Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik kan niet instappen. De bus is helemaal vol.

Veel mensen gaan op zaterdag naar het winkelcentrum.

Ik deel een kamer met mijn zus. Zij doet een keer per week boodschappen.

Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik check in bij Utrecht Centraal. Dan neem ik de trein naar Amsterdam.

Sorry, ik heb haast. Ik moet eruit.

Wat vervelend! De deur van de auto gaat niet open!

Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

De man naast mij slaapt. Hij droomt over een mooie vakantie.

We komen zo. We staan net bij de bushalte.

Het regent. Niemand wil naar buiten.

Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Twee oude mensen steken niet zo snel de straat over. De chauffeur van de bus wacht.

Mijn ouders wonen in een rustig dorp. Hun deur staat altijd open.

Het is koud weer vandaag. Het is stil op het strand.

Op de stoep lopen mensen. Op de weg rijden auto's.

Opnieuw invullen

10

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

De bus is helemaal vol. Hij stopt niet bij de bushalte.

Op vakantie hou ik niet van drukke steden. Ik hou van rustige stranden.

Hij leest 's avonds graag mooie verhalen.

Mijn auto is kapot. Daarom ga ik met de fiets.

Opnieuw invullen

11

Wat hoort bij elkaar?

iedereen

niemand

instappen

uitstappen

droog

nat

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.