Lees de woorden.Kijk naar de plaatjes.Zet de woorden bij de goede plaatjes.
de lamp
de kast
de meubels
de folder
een blauwe stoel
een witte stoel
een rode stoel
een zwarte stoel
Lees de zin.Kies het goede antwoord.
... van deze koelkast is 199 euro.
De prijs
Het cijfer
Ik woon in de Raamstraat. In ... straat woon jij?
wat
welke
Twee is de ... van vier.
helft
hulp
Hamza en ik leren Nederlands. ... gaan drie keer per week naar school.
Jij
Wij
Op een ... zijn de winkels meestal niet open.
feestdag
middag
Emma koopt een bank. Zij betaalt minder, want zij krijgt ...
bezoek.
korting.
In deze winkel is nu ... Alles is heel goedkoop!
ervaring.
opruiming.
De kleren hangen in de ... in de slaapkamer.
kast
klas
Op de markt kan je veel ... groente kopen.
rustige
soorten
We hebben fruit en yoghurt. Ik neem fruit. Wat ... jij?
kies
kijk
Je krijgt vandaag 25 ... korting op alle kleren in deze winkel!
prijs
procent
Ines helpt een ... in de winkel.
klant
Selma en ik hebben een zoon. ... zoon is drie jaar.
Onze
Hij
Ik zie een aanbieding in de ... van de supermarkt.
folder
zolder
Ik wil graag ... over de openingstijden van de gemeente.
informatie
vakantie
Lees de zin.Sleep het goede woorde in de zin.
Hoeveel kost deze laptop? Wat is de prijs?Deze bank kost 800 euro. Dat vind ik te duur.Het adres van de winkel staat op de website.Ga je alleen naar de stad of gaan we samen?
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
Welke telefoon vind je mooi? De blauwe of de rode?
Lea koopt meubels voor haar nieuwe huis: een kast, een tafel en stoelen.
Het is druk. Er zijn veel klanten in de nieuwe winkel.
Ik kijk op internet. Ik zoek informatie over de gemeente.
In deze winkel verkopen ze koffie en thee.
Deze fiets kost 200 euro. Ik krijg 50 procent korting, dus ik betaal 100 euro.
Morgen is een feestdag. We blijven thuis en gaan lekker eten.
Boven de tafel hangt een lamp.
In wat voor soort huis woon je? Een bovenwoning of een appartement?
Het brood en de koekjes kosten samen 4,50 euro.
Welke kast kiezen we? De witte of de zwarte kast?
We delen de taart. Ieder krijgt de helft.
Mijn vriend en ik wonen samen. Wij hebben geen kinderen.
Op welke dag moet je werken? Op dinsdag of woensdag?
Mijn man en ik gaan naar school. Onze school is in het centrum.
Wat hoort bij elkaar?
alleen
samen
zwart
wit
kopen
verkopen
de opruiming
de korting
het internet
de website
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.