Draai je tablet om verder te gaan.

5 Dit is mijn huis

Ik woon in een appartement

1 Verstaan en nazeggen

1

Luister naar de zin.
Wat hoor je?

8 van de 8 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar de zin.
Welk woord hoor je?

7 van de 7 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zin en zeg na.

Ik woon in een appartement.

Ik woon op de derde verdieping.

We hebben een bovenwoning.

We wonen in een huis met een tuin.

Het is een fijn huis. 

Dat is prima.

De kinderen maken lawaai.

Dat vind ik een beetje vervelend.

We wonen vlakbij het centrum.

We wonen in een rustige buurt.

Ik woon in een drukke straat. 

Dat vind ik niet zo fijn.

We willen het liefst een huis met een tuin.

Ik deel een kamer met mijn broer.

Dat is geen probleem.

Ik wil graag in een stad wonen. 

4

Luister en zeg na.



eerste
tweede
derde
vierde
vijfde
zesde
zevende
achtste
negende
tiende

5

Luister naar de woorden.
Welk woord hoor je?

5 van de 5 goed.
Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.