Draai je tablet om verder te gaan.

5 Dit is mijn huis

Ik woon in een appartement

1 Woorden oefenen

1

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

de badkamer

het appartement

de woonkamer

de tuin

Opnieuw invullen

2

Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

Zina heeft een nieuw huis. Ze gaat in april ...

Ik woon hoog: ik woon op de zesde ...

In ... huis woon jij? Een appartement of een huis met een tuin?

De kinderen ... lawaai. Ik vind dat niet leuk.

Dit is mijn huis. Ik slaap boven. De woonkamer is ...

Ik koop een kilo bananen. Ik moet 2 euro ...

Ik heb een vriend. ... heet Tommy.

De huur is ...: 400 euro per maand.

Ik ben buiten. Ik werk in de ...

Ik heb een nieuwe buurvrouw. ... woont op nummer 15.

Ik heb suiker, brood en groente nodig. Ik ga een boodschappenlijst ...

Ik ben 19 jaar en mijn ... Frank is 21 jaar.

Ik woon in een ... buurt. Dat vind ik fijn.

13 van de 13 goed.
Opnieuw invullen

3

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

In het ... van de stad zijn veel winkels.

Jan en Elena wonen naast me. Ze zijn mijn ...

Betaal je meer of minder dan 500 euro ... per maand?

Ik vind de telefoon niet mooi. Ik wil de telefoon ...

Ik koop chips, kaas en worst, ... ik hou van zout.

Mijn huis heeft drie kamers. ... kamers heeft het huis van Ahmed?

Marco werkt drie dagen ... week: maandag, dinsdag en vrijdag.

In mijn huis is één keuken. Ik ... de keuken met Laura en Nadia.

In mijn ... staat een bed.

Ik eet ... rijst met kip. Dat vind ik lekker!

Hij ... het nummer in de telefoon.

Er is veel ... in mijn kamer. Ik vind dat fijn.

Ik praat met ... cursisten in mijn klas.

Het is mooi weer. Elias zit ... in de tuin.

14 van de 14 goed.
Opnieuw invullen

4

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Mijn vrouw en ik wonen in het centrum van Tilburg.
Het appartement heeft een keuken, badkamer, slaapkamer en woonkamer.
De huur is hoog: 900 per maand!

Opnieuw invullen

5

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik drink het liefst koffie met veel suiker. Ik hou van zoet!

Hoeveel kilo sinaasappels heb je nodig?

De school is vlakbij mijn huis.

Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik woon in de Lekstraat, op nummer 8. De buren wonen op nummer 10.

Ik vind de bank niet mooi. Kan ik de bank ruilen?

Het huis van Wasim is klein. Hij zoekt een ander huis. 

Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik woon nu in een dorp. Ik wil verhuizen naar een stad.

Mijn broer gaat vandaag niet naar school. Hij is ziek.

Ik betaal 450 euro huur voor mijn kamer.

Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin. 

Rik slaapt hier. Hij heeft een eigen kamer.

Ik kan niet komen, want ik ben ziek.

In wat voor huis woont Samira? Een groot of een klein huis?

Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik woon in Leiden. Waar woon jij?

En je man, waar werkt hij?

Mijn vrouw heet Andrea. Zij komt uit Peru.

Opnieuw invullen

10

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Waar is je appartement? Op de derde of vierde verdieping?

Het is ochtend. Buiten is het licht.

Ik heb een mooie kamer. De huur is 550 euro per maand.

Opnieuw invullen

11

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik doe boodschappen in de supermarkt. Ik moet 23 euro betalen.

Veel mensen doen hier boodschappen. De supermarkt is altijd druk.

's Ochtends ben ik 20 minuten in de badkamer.

Opnieuw invullen

12

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik woon niet beneden. Ik woon in een appartement op de tweede verdieping.

Alle winkels in deze straat gaan om 9.00 uur open.

In dit huis wonen vijf mensen. We delen de keuken en de badkamer.

Opnieuw invullen

13

Wat hoort bij elkaar?

boven

beneden

binnen

buiten

hoog

laag

rustig

druk

ver

vlakbij

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.