Vertellen welke apparaten je hebt en waarom
A: Heb je een waterkoker?
B: Ja, want ik drink vooral thee.
A: Heb je een frituurpan?
B: Ja, want ik hou van frietjes.
A: Heb je een vriezer?
B: Ja, want ik wil graag vlees invriezen.
A: Heb je een haardroger?
B: Nee, want mijn haar is kort.
A: Heb je een mixer?
B: Nee, want die heb ik niet nodig.
A: Heb je een strijkijzer?
B: Nee, want ik hou niet van strijken.