Luister naar de zin.
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
Ze zitten ... tafel.
aan
op
Ik heb ... apparaten nodig.
nog meer
veel meer
Kijk jij even ... de computer?
voor
Dat is .. van je.
fijn
flauw
We kijken ... een nieuw huis.
naar
naast
Dat ... ik.
pak
snap
Je hebt ... een nieuwe telefoon gekocht!
ook al
vooral
Hoeveel kost ... ding?
dat
zo'n
Ik denk ...
dat niet.
van niet.
Jij doet vandaag boodschappen, ...?
ach
toch
Sleep het goede woord in de zin.
Op internet kijk ik naar een nieuwe fiets voor mijn zoon.
Hoe laat komt de bus? Kijk jij even op je telefoon?
Dit weekend hoef je niet te werken, toch?
Ik heb nog meer geld nodig. Dit is niet genoeg.
Ga je zonder mij naar het feest? Dat vind ik flauw van je.
Ik wil dat apparaat kopen. Hoe heet zo'n apparaat?
We eten niet voor de tv, maar aan tafel.
Is dit een goed idee? Nee, ik denk van niet.
Ik wil niet koken. Gisteren heb ik ook al gekookt.
Kies de goede reactie.
Waar eten we?
Aan tafel.
Uit de kraan.
Kun je morgen helpen?
Ik denk van niet.
Ik moet eruit.
Ik blijf vandaag thuis, want ik heb koorts.
Dat doe ik.
Dat snap ik.
Bart wil me niet helpen.
Dat is flauw van hem.
Dat is vriendelijk van hem.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.