Draai je tablet om verder te gaan.

9 Is dat wel veilig?

Wat is veiliger?

1 Doe de taak

Praten over veiligheid in het verkeer

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Op de fiets of niet?
Nadia praat over fietsen in een grote stad.

Ik vind fietsen in een grote stad niet veilig.
Ik durf hier echt niet te fietsen, ik ben bang.
Fietsen tussen al die brommers, bussen en auto's?
Dat is niks voor mij.
Ik loop liever op de stoep.
Fietsers doen gevaarlijk.
Ze rijden door rood licht.
Ze steken zomaar de weg over.
En dat zijn dan volwassenen.
Kinderen op de fiets zijn nog gevaarlijker.
Ze zien de gevaren op de weg niet.
Ze fietsen soms met z'n drieën naast elkaar.
En ondertussen kijken ze op hun telefoon.
Voor mij geen fiets en mijn kinderen mogen ook niet fietsen.

Marian praat over fietsen in een dorp.

Ik ben een goede fietser.
Ik voel me in ons dorp veilig op de fiets.
Fietsen is even veilig als lopen, denk ik.
Maar op een brommer ben je minder veilig.
Die rijden zo hard.
Ik heb geen auto, ik doe bijna alles op de fiets.
Mijn zoon mag zelf naar school fietsen.
Dat vind ik goed.
Hij is voorzichtig en hij kijkt goed uit.
Maar: ons dorp is niet zo druk als een grote stad.
En er gebeuren natuurlijk soms ongelukken, ook hier.
Maar ach, de meeste ongelukken gebeuren niet buiten, maar binnen. 

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

  1. Wat vindt Nadia van fietsen in de stad? Waarom?
  2. Wat vindt Marian van fietsen in een dorp? Waarom?

3

Werk samen. Luister naar de zinnen. Lees de zinnen hardop.
A begint.
Wissel daarna van rol.

thema 9-taak 1-3-H-100�

 

4

Beantwoord de vragen.

 

1. Kun je fietsen?

Ik kan  .

2. Durf je te fietsen in je woonplaats?

Ik durf  .

3. Vind je fietsen veilig?

Ik vind  .

4. Wat doe je liever: fietsen of lopen?

Ik  .

5. Heb je kinderen?

Ik heb  .

6. Ja? Mogen je kinderen naar school fietsen?

Mijn kinderen  .

7. Fietsen mensen in je herkomstland vaak?

Mensen in mijn herkomstland  .



5

Werk samen. Praat over opdracht 4.
A stelt de vragen aan B.

B geeft antwoord.

Wissel daarna van rol.

6

Werk samen. Kruis aan.
Wat vinden jullie?

Waarom vinden jullie dat?

 

7

Werk samen. Praat over de foto’s.

Bij iedere foto:

  • Vind je het veilig?
  • Waarom?
  • Zie je dit soms in je omgeving?
  • Doe jij dit soms?

  shutterstock_2319204925

shutterstock_1412672510

shutterstock_1270244773

shutterstock_1013717536

shutterstock_2034370682

shutterstock_388578679

8

Vul de nummers in.

Hoe reis je het liefst? Dat is nummer 1.

Dan komt nummer 2 tot en met 6.

Hoe reis je het minst graag? Dat is nummer 7.

 

  met de fiets

  met de brommer of scooter

  met de bus

  met de trein

  met het vliegtuig

  met de boot

  met de auto



9

Werk samen. Praat over opdracht 8.

Vergelijk jullie antwoorden. Maak de zinnen af:

  • Ik reis het liefst met ....
  • Ik reis liever met .... dan met ....
  • Ik reis het minst graag met ....

10

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

Je krijgt een bericht van je buurman. Je buurman is nieuw in Nederland.

Beantwoord zijn vragen.

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.