Beantwoord de vragen.
1. Kun je fietsen?
Ik kan .
2. Durf je te fietsen in je woonplaats?
Ik durf .
3. Vind je fietsen veilig?
Ik vind .
4. Wat doe je liever: fietsen of lopen?
Ik .
5. Heb je kinderen?
Ik heb .
6. Ja? Mogen je kinderen naar school fietsen?
Mijn kinderen .
7. Fietsen mensen in je herkomstland vaak?
Mensen in mijn herkomstland .