Luister naar de zin.Lees de zin.Kies het goede antwoord.
Voor mij ... koffie.
geen
veel
Ik ... fijn in mijn huis.
voel
voel me
Yohannes eet ... brood.
lekker
liever
De auto rijdt door ...
het stoplicht.
rood licht.
Dat is ... voor mij.
iets
niks
Reza is ... groot als Adam.
even
heel
In de les ... we niet bellen.
moeten
mogen
Gaan jullie ... naar school?
aan de fiets
op de fiets
Een dorp is ... als een stad.
niet druk
niet zo druk
We gaan ... naar het centrum.
met iedereen
met z'n drieën
Hij is ... voor de hond.
bang
blij
..., het maakt me niet uit.
Ach
Al
Bananen zijn ... lekkerder dan appels.
nog
nooit
Ik ... niet te kijken.
denk
durf
Ayham ... voetballen niet leuk.
maakt
vindt
Lees de zin.Sleep de goede woorden in de zin.
Ik hou niet van fietsen. Ik loop liever.Zij durft het niet aan de docent te vragen.Eva en Nahom lopen met z'n tweeën naar huis.
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
Het licht is rood. We mogen niet oversteken. Ik vind fietsen zonder licht niet veilig.De tandpasta is even duur als de zeep.
Deze pillen zijn nog duurder dan die pillen.De fietser rijdt door rood licht. Dat is gevaarlijk.Mijn huis is niet zo gezellig als jouw huis.
Luister naar de zin.Lees de zin.Kies de goede reactie.
Wil je koffie of thee?
Ik drink geen alcohol.
Ik heb liever thee.
Elisa hoort 's nachts een geluid.
Ze is bang.
Ze is belangrijk.
Wil je een biertje?
Nee, voor mij geen alcohol.
Nee, voor mij geen avondeten.
Hoe gaat het?
Dat is een goed idee.
Ik voel me goed.
Hoe ga jij naar je werk?
Op de bank.
Op de fiets.
Hou je van winkelen?
Nee, dat is niks voor mij.
Nee, het gaat niet over.
Ik ben mijn boek kwijt.
Ach, wat jammer!
Nou, wat fijn!
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.