Draai je tablet om verder te gaan.

4 Lekker!

Ik vind alles lekker!

1 Doe de taak

Zeggen wat je wilt eten en drinken

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Ik heb zin in patat

Sarah en Karim zijn in de stad. Ze willen iets eten.

Sarah

Hmm, ruik je dat? Ik ruik patat.

Kijk, hier is een snackbar.

Karim

Hm, ik wil geen patat.

Ik heb zin in een broodje.

Sarah

Een broodje? Het is vrijdag. We moeten genieten!

Karim

Ik hou niet zo van patat.

Sarah

O, patat is mijn lievelingseten.

Met gebakken vis, heerlijk.

Ik kan het op ieder moment van de dag eten.

Wat vind jij lekker dan?

Karim

Ik houd van eten uit de hele wereld.

Pizza, kebab, couscous, nasi, curry.

Sarah

En wat vind je niet lekker?

Karim

Ik hou niet van bonen. Die vind ik vies.

En ik eet weinig vlees. Af en toe kip.

Geen lam, dat smaakt niet lekker.

En jij, wat vind jij lekker?

Sarah

Ik vind bijna alles lekker.

Ik eet tussendoor soms een stukje taart.

Ik heb nu zin in patat. Kom, ze hebben ook broodjes bij de snackbar.

Sarah en Karim zijn in de snackbar.

Medewerker

Goedemiddag. Zegt u het maar.

Sarah

Hallo, ik wil graag een patatje met mayonaise alstublieft.

Medewerker

Anders nog iets?

Sarah

Nee hoor, bedankt.

Medewerker

En voor u?

Karim

Mag ik een broodje gezond alstublieft?

Medewerker

Wilt u ook iets drinken?

Sarah

O ja, een biertje alstublieft. Wil jij ook een biertje?

Karim

Nee, ik wil geen alcohol. Doe maar een glas cola.

Medewerker

Dat is dan 16,50 alstublieft.

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

 

1. Waar zijn Sarah en Karim?

2. Wat doen ze?

3. Wat eten ze?

4. Wat drinken ze?

3

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Zeggen wat lekker en niet lekker is

A: Wat vind je lekker?

B: Ik vind pizza lekker.

      Ik hou van rijst met kip.

A: Wat vind je niet lekker?

B: Ik vind bonen niet lekker.

      Ik vind bier vies.

A: Wat is je lievelingseten?

B: Mijn lievelingseten is patat.

A: Wat eet je tussendoor?

B: Ik eet chips tussendoor.

      Of een stukje taart.

A: Wat drink je graag?

B: Ik drink graag cola.

      Ik drink geen alcohol.

4

Vul in. Wat vind je lekker? Wat vind je niet lekker?

Zoek ook woorden op.

 


    5

    Werk samen. Praat over opdracht 4.

    A begint.

    Wissel daarna van rol.

     

    A vraagt aan B: 

    • Wat vind je lekker?
    • Wat vind je niet lekker?
    • Wat is je lievelingseten?
    • Wat eet je tussendoor?
    • Wat drink je graag?

     

    B geeft antwoord en gebruikt opdracht 4.

    6

    Werk samen. Luister naar de zinnen. Lees de zinnen hardop.

    A begint.

    Wissel daarna van rol.

    Zeggen wat je wil eten en drinken

    A: Goedemiddag, zegt u het maar.

    B: Hallo, mag ik een patatje met mayonaise?

          En een hamburger graag.

    A: Natuurlijk, wilt u ook iets drinken?

    B: Ja, doe maar een cola.

    A: Anders nog iets?

    B: Nee hoor, bedankt.

    A: Dat is dan 8,50 alstublieft.

          Het eten is over tien minuten klaar.

    B: Oké, bedankt.

    7

    Werk samen. Praat samen. Gebruik de tekst.

    A begint.

    Wissel daarna van rol.

     

    A en B zijn in een café.

    A vraagt: Wat vind je lekker? Wat neem je?

    B kijkt naar de tekst.

    B zegt:

    Ik vind ... lekker.

    Ik neem ...

     

    thema 4-taak 4-7-H-100�

    8

    Werk samen. Maak het gesprek af. Gebruik opdracht 7.

     

    A: Goedemiddag, zegt u het maar.

    B: Hallo, mag ik  ?

           En  .

    A: Natuurlijk, wilt u ook iets drinken?

    B: Ja, doe maar  .

    A: Anders nog iets?

    B:  .

    A: Dat is dan   alstublieft.

           Het eten is over tien minuten klaar.

    B:  



    9

    Werk samen. Lees opdracht 8 hardop.

    A begint.

    Wissel daarna van rol.

     

    10

    Werk samen. Doe opdracht 9 nog een keer, met een ander.

    A werkt in het café.

    B koopt eten en drinken.

    11

    Lees het bericht. Schrijf een reactie.

    Je gaat morgen bij je vriendin Ines eten. Je krijgt een bericht van je vriendin.

    Beantwoord de vragen.

      Deze opdracht is voldoende. Goed gedaan!

      Foutje!

      Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.