Vertellen wat je eet
A: Wat eet je bij het ontbijt?
B: Ik eet 's morgens een boterham.
Of ik eet pap.
A: En wat eet je bij de lunch?
B: Ik eet 's middags rijst met groenten of vlees.
A: En 's avonds, bij het avondeten?
B: Van alles: soep, rijst of noedels.
Ik gebruik veel kruiden.
A: Wat drink je vaak?
B: Ik drink veel thee.
Ik drink geen koffie.