Draai je tablet om verder te gaan.

4 Lekker!

Wat eet je bij het ontbijt?

1 Doe de taak

Vertellen wat je meestal eet en drinkt

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Dat lijkt me lekker!
Shen komt uit China.
Shen beantwoordt vragen in een interview.

Interviewer

Shen, je woont nu drie jaar in Nederland.
Hoe vind je het eten hier? 

Shen

Jullie eten veel brood, vind ik.

Een boterham bij het ontbijt, een boterham bij de lunch.

Ik hou niet zo van brood.

Interviewer

Wat eet je dan?

Shen

Ik eet ’s morgens noedels met groenten.
Of ik eet pap.

Interviewer

Zoete of zoute pap?

Shen

Meestal zout. 

Interviewer

En wat eet je 's middags bij de lunch?

Shen

Ik eet meestal rijst, met groenten.

Interviewer

En ’s avonds, bij het avondeten?

Shen

O, van alles: soep, rijst, noedels, groenten, eieren.
Soms met vlees of vis.

We gebruiken veel kruiden.

Interviewer

Ik eet ’s avonds ook graag rijst.
Eet je weleens boerenkool met worst?

Shen

Ja, ik vind boerenkool heerlijk.

En ik hou van patat.

Interviewer

En wat drink je vaak? Hou je van koffie?

Shen

Nee, ik drink geen koffie.

Ik drink veel thee.

En af en toe een biertje. Chinees bier natuurlijk.

Interviewer

O, dat lijkt me ook lekker!

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

 

1. Wat eet Shen bij het ontbijt?

2. Wat eet Shen bij de lunch?

3. Wat eet Shen bij het avondeten?

4. Wat drinkt Shen?

3

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Vertellen wat je eet

A: Wat eet je bij het ontbijt?

B: Ik eet 's morgens een boterham.

      Of ik eet pap.

A: En wat eet je bij de lunch?

B: Ik eet 's middags rijst met groenten of vlees.

A: En 's avonds, bij het avondeten?

B: Van alles: soep, rijst of noedels.

      Ik gebruik veel kruiden.

A: Wat drink je vaak?

B: Ik drink veel thee.

      Ik drink geen koffie.

4

Werk samen. Praat samen. Gebruik de foto's.

A begint.

Wissel daarna van rol.

A kiest een foto en vraagt:

Eet je ...? Drink je ...? Wanneer eet/drink je dat?

B zegt:

Ik eet/drink ... bij het ontbijt.

Ik eet/drink ... bij de lunch.

Ik eet/drink ... bij het avondeten.

Ik eet/drink geen ...

    5

    Vul in. Wat eet en drink je?

     


      6

      Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 5.

      A begint.

      Wissel daarna van rol.

       

      A: Wat eet je bij het ontbijt?

      B: ...

      A: En wat eet je bij de lunch?

      B: ...

      A: En 's avonds, bij het avondeten?

      B: ...

      A: Wat drink je?

      B: ...

      7

      Loop rond. Doe opdracht 6 nog een keer.

      Praat met twee anderen.

      Vul de tabel in.

      8

      Lees het bericht. Schrijf een reactie.

      Je werkt met Yousef. Je krijgt een bericht van Yousef.

      Beantwoord de vragen.

      Stuur naar je docent

      Foutje!

      Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.