Lees de zin.Kies het goede antwoord.
De kip is vandaag goedkoop. Het is in ...
de aanbieding.
het avondeten.
'Wat wil je eten? Ik heb ... fruit.'
allerlei
blij
We eten om 19.00 uur. Dat is ...
de lunch.
Ik eet brood met ... en kaas.
boter
buurt
Ik koop in de supermarkt een ... water.
fles
kilo
Ik eet 's ochtends ... Ik drink thee.
beterschap.
yoghurt.
Dat is een mooi, groot ...
alfabet.
huis.
Het eten is ... We gaan eten.
jammer.
klaar.
Ik eet graag vlees met ...
koelkast.
knoflook.
Het vlees ligt in ...
de fles.
de koelkast.
'Ga je vanmiddag ... de supermarkt? Ik heb brood nodig.'
in
langs
Ik ga bij Ahmed op bezoek. Ik ... mijn kind mee.
doe
neem
Het kind is ziek. Het kind eet ...
melk.
niks.
'Ik ga langs de supermarkt. Wat heb je ...?'
gelukkig
nodig
'Koop je ... rijst in de supermarkt?'
een fles
een pak
'Eten we ... vanavond? Dat is lekker.'
koffie
soep
'Waar ben je?''Ik ... in de supermarkt.'
lig
sta
Ik ga ... naar de stad, over een uur.
nu
straks
Ik koop ... worst.
een stuk
een klas
We eten kip met rijst en ook ...
een letter.
een toetje.
Ik koop in de supermarkt een ...
formulier.
brood.
'Wat eten ... vanavond?'
je
we
... is lekker. Het is meestal zout.
Suiker
Worst
'Koop je een pak ...?'
koelkast
yoghurt
Ik drink thee ... suiker.
en
zonder
Ik doe ... in de soep.
goedkoop
zout
Lees de zin.Sleep het goede woord in de zin.
Ik koop een kilo zout in de supermarkt.‘Drink jij koffie met of zonder suiker?’Ik loop langs het huis van Ahmed.
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
Ik koop een stuk kaas.
'Heb je nog uien en knoflook in huis?'
In de koelkast liggen groenten en vlees.
Dat is een mooie aanbieding! Een volkorenbrood voor 1 euro.
Ik doe allerlei boodschappen: groenten, fruit, vlees, vis en kaas.
Yoghurt met fruit is lekker.
'Koop je een pak melk in de winkel?'
'Ik ben in de supermarkt. Ik neem een stuk kaas mee.'
'De soep is klaar. Kom je eten?'
Ik doe altijd veel boter op mijn brood.
Het avondeten is van 18.00 uur tot 21.00 uur.
Ik sta nu in de winkel. Ik neem melk en yoghurt mee.
Vanavond eten we soep, met brood.
Ik koop twee flessen water in de winkel.
Ik koop twee broden. Een volkorenbrood en een ander brood.
Ik heb niks nodig. Ik heb nog allerlei eten in huis.
Mijn vriend woont in Amsterdam. Het huis van mijn vriend is klein.
'Kom je straks koffie bij me drinken? Ik ben over een half uur thuis.'
'Wat heb je nodig? Vlees, vis, groenten?'
De worst is in de aanbieding. Een groot stuk voor 2 euro.
Vlees zonder zout is niet lekker.
'Wil je vanavond ook een toetje?'
Ik koop een stuk worst, van 300 gram.
De worst ligt in de koelkast.
'Wat eten we? Is het eten klaar?'
Ik eet graag brood. Met boter en kaas.
Ik wil nu niet eten. Ik eet niks.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.