Draai je tablet om verder te gaan.

5 Werk en inkomen

Een uitkering

1 Woorden oefenen

1

Lees de vraag. Kies het goede antwoord.

Sara heeft geen werk. Ze is ___.

John werkt tien jaar in een fabriek. Hij heeft een vast ___.

Mehdi heeft weinig geld. Hij werkt niet. Hij krijgt een ___.

Jonas heeft geen werk. Hij kan online een uitkering ___.

De gemeente en het UWV zijn ___ die je kunnen helpen.

Wat mag wel en wat mag niet? Dat staat in onze ___.

Je moet je in dit bedrijf aan de regels ___.

Pieter is zijn baan kwijt. Nu heeft hij ___ een WW-uitkering.

Je moet in dit bedrijf speciale schoenen dragen. Dat is ___.

0 van de 9 goed.
Kijk na

2

Sleep de goede woorden in de zin.

Rana heeft geen werk. Ze gaat een uitkering aanvragen.

Camila werkt bij een ict-bedrijf. Daar kan ze een goed salaris verdienen.

De vrachtwagenchauffeurs houden zich niet aan de regels. Daarom krijgen ze een boete.

Alle kinderen hebben recht op onderwijs. Ze mogen vanaf vier jaar naar school.

Kijk na

3

Wat hoort bij elkaar?

werkloos

de uitkering

de baan

het inkomen

het UWV

de instantie

de regel

verplicht

Kijk na

4

 Lees de vraag. Kies het goede antwoord.

Welke woorden horen bij ‘de uitkering’?

Welke woorden horen bij ‘de instantie’?

Welke woorden horen bij ‘aanvragen’?

0 van de 3 goed.
Kijk na

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.