Draai je tablet om verder te gaan.

19 Bewegen en zwaar werk

Ik heb last van mijn knieën

1 Doe de taak

Lichamelijke klachten beschrijven

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Au, mijn rug

Rami werkt als verhuizer bij een verhuisbedrijf. Hij had een zware werkdag.

Hij is thuis, hij zit aan tafel. Hij praat met zijn vrouw, Samira.

Rami

Au, ik kan bijna niet uit mijn stoel komen, au, mijn rug!

Samira

Wat heb je gedaan?

Rami

Ik heb te veel getild.

We moesten vanmiddag naar Amsterdam, naar een bovenhuis.

De verhuizing ging helemaal goed, totdat onze lift stukging.

Toen moesten we zelf nog 50 dozen naar boven sjouwen.

Samira

Dat klinkt niet goed.

Rami

Nee, het was te zwaar voor mijn rug, die is helemaal stijf. 

Kijk, ik kan ook niet meer bukken. En mijn knieën doen pijn.

Ik lijk wel een oude man met die rug.

Samira

Nou, zielig.

Je moet je morgen maar even ziek melden.

Rami

Nee joh, ik moet gewoon een nacht goed slapen.

Hebben we nog paracetamol in huis?

Samira

Ja, ik heb vorige week nog een doosje gekocht.

Ik kan niet meer op mijn benen staan

Bibi is 16 jaar. Ze werkt op zaterdagavond in een restaurant.

Ze komt om 23.30 uur thuis. Ze praat met haar moeder.

Bibi

Pff, dat was een zware avond.

Moeder

Was het druk?

Bibi

Ja, ik heb de hele avond gelopen.

Meestal moet ik in de keuken helpen of afwassen, maar er was iemand in de bediening ziek.

Dus ik moest serveren. En het restaurant was helemaal vol.

Moeder

Serveren lijkt me leuker dan afwassen.

Bibi

Nou, ik sta liever in de keuken.

Voortdurend heen en weer lopen met volle glazen en borden, dat is heel zwaar voor je armen.

En ik kan niet meer op mijn benen staan.

Moeder

Ja, dat ben je niet gewend.

Gelukkig ben je morgen vrij en kun je uitslapen.

Bibi

Ja, heerlijk.

2

Werk samen. Praat over de vragen.

A praat over gesprek 1. B praat over gesprek 2.

Vertel allebei:

  1. Welke klachten heeft de persoon?
  2. Waarom heeft die een klacht?
  3. Welk beroep heeft hij of zij?

3

Werk samen. Praat over de vragen.

  1. Welk beroep heb je of wil je doen?
  2. Is dat beroep zwaar? Waarom wel of niet?
  3. Welke voorbeelden van zware beroepen ken je?
  4. Ken je iemand met een zwaar beroep? Welk beroep is dat?

4

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Praten over lichamelijke klachten

A: Wat is er? Gaat het?

B: Nee, het gaat niet zo goed.

      Mijn rug is helemaal stijf.

A: Wat heb je gedaan?

B: Ik heb te veel getild.

      Ik werk als verhuizer.

      Ik moet voor mijn werk zware spullen tillen.

A: Dat klinkt niet goed.

      Je moet oppassen met je rug.

      Je moet naar de dokter gaan als de pijn erger wordt.

B: Dat zal ik doen, dank je.

5

Vul het schema in.

 

6

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 5.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

B kiest een beroep van opdracht 5.

B heeft klachten omdat hij zwaar werk doet.

A stelt vragen en geeft advies.

 

A: Wat is er? Gaat het?

B: Nee, …

      Mijn …

A: Wat heb je gedaan?

B: Ik werk als ….

      Ik moet voor mijn werk …

A Dat klinkt niet goed.

     Je moet oppassen met …

     Je moet …

B Dat zal ik doen, dank je.

7

Kijk naar de foto’s. Beantwoord de vragen.

Je hebt een zwaar beroep.

Je hebt lichamelijke klachten en je gaat naar de dokter.

Bedenk zelf een klacht.

 

afbeeldingen samen_evengroot

Welke klacht heb je?



Wat is de oorzaak van de klachten? Wat moet je op je werk doen?



8

Kijk naar de foto’s. Beantwoord de vragen.

Je hebt een zwaar beroep.

Je hebt lichamelijke klachten en je gaat naar de dokter.

Bedenk zelf een klacht.

 

shutterstock_2258621899 (1) shutterstock_2261969705 (1) 

Welke klacht heb je?



Wat is de oorzaak van de klachten? Wat moet je op je werk doen?



9

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 7 of 8.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A is de huisarts.

B kiest een situatie van opdracht 7 of 8.

B gaat naar de huisarts.

A stelt vragen aan B.

B antwoordt in een hele zin.
A geeft advies.

10

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

Je krijgt een bericht van een vriend.

Zeg dat je niet komt.

Zeg waarom niet: gebruik de situatie van opdracht 7 of 8.

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.