Zeggen dat je kunt helpen
A: We zoeken nog hulpouders.
Kun jij misschien helpen?
B: Ja, ik kan wel helpen.
Wat kan ik doen?
A: Je kan helpen met knutselen.
Dan ga je bijvoorbeeld verven en timmeren.
B: Wanneer is dat?
A: Elke vrijdagmiddag.
B: Leuk, dat kan ik wel doen.
Ik zal me opgeven.
A: Heel fijn, dank je wel.
Zeggen dat je niet kunt helpen
A: We zoeken nog hulpouders.
Wil jij misschien helpen met lezen?
B: Uh, wat moet ik dan doen?
A: Je leest boekjes samen met de kinderen.
Veel kinderen hebben moeite met lezen.
B: En wanneer is dat?
A: Elke dinsdag- en donderdagochtend.
B: Het spijt me, maar ik heb helemaal geen tijd.
Ik werk de hele week.
A: Ik begrijp het, geen probleem.