Draai je tablet om verder te gaan.

10 Wat koop je?

Mag ik het ruilen?

1 Doe de taak

Kleren ruilen in een winkel

1

Lees de tekst.

taak 2-1-200%

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

Lees de situatie. Zoek het antwoord in de tekst van opdracht 1.

 

1. Emma koopt nieuwe schoenen.

Ze draagt de schoenen een paar keer.

De schoenen zijn te klein.

Kan ze de schoenen ruilen? Waarom?

 

2. Rohaan koopt een nieuwe broek.

De broek is te groot.

Hij heeft de bon niet meer.

Kan hij de broek ruilen? Waarom?

 

3. Manual koopt een jajse.

Het is twee maanden later. Hij wil het jasje ruilen.

Op de bon staat: ruilen binnen 14 dagen.

Kan hij het jasje ruilen? Waarom?

3

Werk samen. Praat over de vragen.

  1. Heb je weleens spijt van kleren of spullen? Wat doe je dan?
     
  2. Bewaar je de bon altijd?
     
  3. Wat betaal je met je pinpas?
     
  4. Wat betaal je contant?
     
  5. Wat doe je vaker: pinnen of contant betalen?
     
  6. Hoe betalen mensen in je herkomstland? Is er een verschil met Nederland?

4

Werk samen. Luister naar de gesprekken. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A werk in een winkel.

B is de klant.

Kleren ruilen

A: Goedemiddag, kan ik u helpen?

B: Ja, ik wil deze broek van mijn man graag ruilen.

A: Wat is het probleem?

B: Hij vindt de kleur verschrikkelijk.

A: Welke kleur wilt u dan?

B: Hebben jullie een bruine broek?

A: Zeker. Heeft u de bon nog?

B: Ja, alstublieft.

Kleren terugbrengen

A: Zegt u het maar.

B: Ik wil deze laarzen graag terugbrengen.

A: Wat is het probleem?

B: Ze zijn te klein.

A: Oké, heeft u de bon nog?

B: Nee, die heb ik niet meer.

      Ik heb wel een bankafschrift.

A: Dan kunnen we geen geld teruggeven.

      Het spijt me.

B: Oh oké, jammer.

5

Werk samen. Kijk naar de foto. Maak het gesprek af.

A werkt in een winkel.

B wil iets ruilen.

B gebruikt de foto.

B kiest een andere kleur.

 

A: Goedemiddag, kan ik u helpen?

B: Ja, ik wil  .

A: Wat is het probleem?

B: Ik vind  .

A: Dat kan. Welke kleur wilt u dan?

B:  .

A: Heeft u de bon nog?

B:  .



kleuren shirts - 300

6

Werk samen. Lees het gesprek van opdracht 5 hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

7

Werk samen. Kijk naar de foto. Maak het gesprek af.

A werkt in een winkel.

B wil iets terugbrengen.

B gebruikt de foto.

 

A: Zegt u het maar.

B: Ik wil  .

A: Wat is het probleem?

B: De broek  .

A: Oké, heeft u de bon nog?

B: Nee,  .

A: Dan kunnen we  .

      Het spijt me.

B:  .



broek te groot 300

8

Werk samen. Lees het gesprek van opdracht 7 hardop.
A begint.
Wissel daarna van rol.

9

Werk samen. Praat samen. Gebruik de foto's.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Kies een andere foto.

A werkt in een winkel.

B wil iets ruilen of terugbrengen.

B kiest één foto.

A vraagt:

- Wat is het probleem?

- Heeft u de bon nog?

B geeft antwoord.

 thema 10-taak 2-9-H-100%

 

10

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

Je leest een bericht op internet.

Geef advies.

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.