Draai je tablet om verder te gaan.

10 Wat koop je?

Ik heb een nieuwe broek nodig

1 Doe de taak

Praten over kleren

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Wat wil jij kopen?
Jane en Donald praten over kleren kopen.
Ze hebben twee kinderen, twee meisjes.

Jane

Dat feest van je zus is binnenkort.
Laten we vanmiddag naar de stad gaan.
Ik wil graag nieuwe kleren voor het feest kopen.
We hebben allebei wat nieuws nodig.
En de kinderen ook.

Donald

Vanmiddag?
Moet dat?
Ik heb nu niet zo’n zin.
Laten we morgen gaan.

Jane

Dat is ook goed.
Maar niet later.
Het feest is al over een week.

Donald

Wat hebben we eigenlijk nodig?
Ik heb nog wel een nette broek.
En een jasje.

Jane

Je bedoelt die grijze broek en dat bruine jasje?
Ja, die kun je wel aantrekken.
Maar je moet wel een nieuw overhemd kopen.

Donald

Ja, je hebt gelijk.
Ik wil wel een nieuw overhemd.
En jij? Wat wil jij kopen?

Jane

Een mooie jurk.
Ik heb nog wel goede schoenen.
En ik wil voor de kinderen een rokje kopen.
En een net T-shirt of een nette trui.
Die kunnen ze na het feest ook naar school dragen.

Donald

Oké, maar het duurt toch niet te lang hè?

Jane

Nee, we gaan alleen even naar de H&M.
Ik wil niet te veel geld uitgeven.
En het lijkt me wel gezellig met z’n vieren.
Ik ga nooit samen met jou en de kinderen winkelen.

Donald

Dat is waar. Oké, we gaan morgen.
Afgesproken.

2

Beantwoord de vraag. Gebruik opdracht 1.

Welke kleren hoor je? Schrijf de woorden op.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



3

Werk samen. Kijk naar de foto's. Wat dragen ze?

A beschrijft de kleren van de mannen.

A zegt: Hij draagt ...

 

B beschrijft de kleren van de vrouwen.

B zegt: Zij draagt ...

 

thema 10-taak 1-3-H-100%

4

Werk samen. Beschrijf de kleren van elkaar.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A beschrijft de kleren van B.

A zegt: Hij draagt ... / Zij draagt ...

5

Werk samen. Beschrijf de kleren van iemand anders.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

Kijk in de klas. Kies iemand. Zeg de naam niet.

A beschrijft de kleren van iemand anders.

A zegt: Hij draagt ... / Zij draagt ...

 

B luistert en kijkt. B zegt wie het is.

6

Werk samen. Praat over de vragen.

  1. Hoe vaak koop je nieuwe kleren?
     
  2. Vind je kleren kopen leuk of vervelend? Waarom?
     
  3. Vind je mooie kleren belangrijk? Waarom wel of niet?
     
  4. Koop je nieuwe kleren voor een feest?
     
  5. Waar koop je meestal kleren? Waarom?

7

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Praten over kleren voor een feest

A: Wat ga jij op het feest aantrekken?

B: Ik heb nog wel een nette broek.

      En ik draag een bruin jasje.

      Ik heb ook wat nieuws nodig.

A: Wat wil je kopen?

B: Ik heb nieuwe schoenen nodig.

      En ik wil wel een nieuw overhemd.

      En jij? Wat draag jij?

A: Ik draag een gele broek.

      Ik heb nog wel goede schoenen.

      Ik wil ook wat nieuws kopen.

B: Wat heb je nodig?

A: Ik wil een net T-shirt kopen.

      Of een nette trui.

B: Waar koop je dat?

A: Bij de H&M.

8

Lees de uitnodiging. Beantwoord de vragen.

Je vrienden gaan trouwen. Je krijgt een uitnodiging voor het feest. 

1. Wat ga je op het feest aantrekken?



2. Welke kleuren hebben de kleren?



3. Wat wil je kopen?



4. Waar koop je dat?



5. Hoeveel kost het ongeveer?



thema 10-taak 1-8-H-100�

9

Werk samen. Praat over opdracht 8.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A en B gaan naar het feest van opdracht 8.

A stelt de vragen van opdracht 8.

B geeft antwoord.

10

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

Je krijgt een bericht van een vriend.

Beantwoord de vragen.

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.