Iets vragen bij de drogist
A: Mag ik u wat vragen?
B: Ja, natuurlijk.
A: Ik zoek paracetamol.
B: Die staat hier.
A: O ja, dank u.
B: Kan ik u verder nog ergens mee helpen?
A: Waar staan de neusdruppels?
B: Dat is aan de andere kant.
A: O ja, ik zie het.
Dank u.
B: Hebt u nog vragen over de medicijnen?
A: Nee, hoor.
B: Wilt u afrekenen?
A: Ja graag. Kan ik pinnen?
B: Gaat uw gang.