Draai je tablet om verder te gaan.

7 Naar de dokter?

Ik zoek de neusdruppels

1 Doe de taak

Iets vragen bij de drogist

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Bij de drogist
Zula is bij de drogist.
Ze vraag hulp aan de verkoopster.

Zula

Mag ik u wat vragen?

Verkoopster

Ja, natuurlijk.

Zula

Ik zoek vitamine D, maar ik zie het nergens.

Verkoopster

Hier mevrouw, bij de andere vitamines.

Zula

O ja, nou zie ik het.
Goh, die zijn duur.

Verkoopster

Ja, ons eigen merk is goedkoper.
Maar die zijn helaas op.
Die komen volgende week pas weer.

Zula

O, nou ja, ik heb nog wel een beetje.
En neusdruppels?
Waar staan die?

Verkoopster

Aan de andere kant, mevrouw.
Ik loop wel even met u mee.
Wilt u de goedkoopste?

Zula

Ja, graag.

Verkoopster

Alstublieft.
Kan ik u verder nog ergens mee helpen?

Zula

Ehh... ik moet nog paracetamol hebben.

Verkoopster

Die ligt hier ook.
Die is toevallig in de aanbieding.

Zula

O, dat is fijn.
Bedankt hè.

Verkoopster

Graag gedaan.

Zula gaat naar de kassa.

Verkoopster

U wilt afrekenen, mevrouw?
Komt u maar naar deze kassa.
Hebt u nog vragen over de medicijnen?
Wilt u advies?

Zula

Nee, hoor.
Kan ik pinnen?

Verkoopster

Gaat uw gang.

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

  1. Waar is de vrouw?
     
  2. Wat zoekt ze?
     
  3. Wat koopt ze?
     
  4. Hoe betaalt ze?

3

Kijk naar de foto’s. Schrijf de goede zin.


Welke zin hoort bij de foto? Kies uit:

Ik zoek de zeep.

Waar staan de luiers?

Ik zoek een tandenborstel.

Ik zoek de tandpasta.

Waar liggen de pleisters?

Waar staat de shampoo?

4

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.
A begint.
Wissel daarna van rol.

Iets vragen bij de drogist

A: Mag ik u wat vragen?

B: Ja, natuurlijk.

A: Ik zoek paracetamol.

B: Die staat hier.

A: O ja, dank u.

B: Kan ik u verder nog ergens mee helpen?

A: Waar staan de neusdruppels?

B: Dat is aan de andere kant.

A: O ja, ik zie het.

     Dank u.

B: Hebt u nog vragen over de medicijnen?

A: Nee, hoor.

B: Wilt u afrekenen?

A: Ja graag. Kan ik pinnen?

B: Gaat uw gang.

5

Werk samen. Maak het gesprek af. Gebruik opdracht 3.

A is bij de drogist.

A kiest twee foto's van opdracht 3.

A vraagt iets.

B werkt bij de drogist.

 

A: Mag ik  ?

B: Ja, natuurlijk.

A: Ik zoek  .

B: Die staat hier.

A: O ja,  .

B: Kan ik u verder nog ergens mee helpen?

A: Waar  ?

B: Dat is aan de andere kant.

A:  .

B: Hebt u nog vragen over de medicijnen?

A:  .

B: Wilt u afrekenen?

A:  .

B: Gaat uw gang.

 


6

Werk samen. Lees de tekst van opdracht 5.

A begint.

Wissel daarna van rol.

7

Werk samen. Praat samen.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A is bij de drogist.

A zoekt twee dingen.

B werkt bij de drogist.

8

Werk samen. Doe opdracht 7 nog een keer, met een ander.

Kies twee andere dingen.

9

Werk samen. Praat over de vragen.

  1. Wat koop je bij de drogist?
     
  2. Naar welke drogist ga je?
     
  3. Waar kom je vandaan? Heeft dat land ook een drogist? Wat koop je daar?

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.