Draai je tablet om verder te gaan.

7 Naar de dokter?

Ik zoek de neusdruppels

1 Woorden oefenen

1

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

de tandpasta

de make-up

de tandenborstel

de kassa

Opnieuw invullen

2

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

de deodorant

de zeep

de luier

de paracetamol

Opnieuw invullen

3

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

de shampoo

de neusdruppel

het parfum

de pleister

Opnieuw invullen

4

Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

In fruit zitten veel ...

In de winkel: 'Sorry mevrouw, waar kan ik ...?'

Ik ben in de apotheek. Ik krijg ... over mijn medicijnen.

Waar staat de melk? Ik zie de melk ...

Ik heb geld nodig. Ik moet eerst ...

Lily is een nieuwe cursist. Ze zit ... twee dagen in onze klas.

Ik doe veel ... op mijn tandenborstel.

Ik zit in de trein en mijn buurman ook. Dat is ...!

Ik heb niet veel geld. Meestal koop ik chips van een goedkoop ...

9 van de 9 goed.
Opnieuw invullen

5

Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

Wilt u betalen? Ik loop met u ... naar de kassa.

Bij de drogist kan je ... kopen.

Heeft u ... nog vragen? Of is het duidelijk?

Farid is in de badkamer en gebruikt zijn ...

Dit is ... huis. We wonen hier al vijf jaar.

Zie jij de sleutels? Ze liggen hier ...

Heb jij een goed idee? Ik kan niks ...

Jamal heeft pijn. Hij heeft een ... nodig.

8 van de 8 goed.
Opnieuw invullen

6

Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.

Help! Ik kan mijn sleutels nergens vinden.
Bij de kassa kunt u afrekenen
Ik zoek kamer 233. Kunt u met me meelopen?

Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik wil graag afvallen. De huisarts geeft me advies.
Vera gaat vanavond naar een feest. Ze heeft make-up op.
Ik ga de boodschappen betalen. Ik wil pinnen.

Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik ruik niet lekker. Ik heb deodorant nodig!
Omar eet niet gezond. Hij moet meer vitamines nemen.
Nu heb ik geen geld. Ik krijg volgende week pas geld.

Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Je nieuwe parfum ruikt heel lekker!
Ik ben in de winkel. De verkoopster helpt een klant.
Ik ga met je mee naar de drogist. Ik wil toevallig ook medicijnen kopen.

Opnieuw invullen

10

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Welke cola nemen we? Het dure of goedkope merk?
De shampoo staat in de badkamer.
Ik koop eieren en groente. Verder heb ik niks nodig.

Opnieuw invullen

11

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

We wonen in deze straat. Ons huisnummer is 24.

Mijn tas ligt ergens in deze kamer.

We gaan straks naar Rotterdam. Annisa bedenkt een goede route.

Opnieuw invullen

12

Wat hoort bij elkaar?

de hoofdpijn

de paracetamol

verkouden

de neusdruppels

betalen

de kassa

de baby

de luier

het advies

de verkoopster

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.