Draai je tablet om verder te gaan.

6 Instanties

In Nederland blijven

1 Woorden oefenen

1

Lees de zin. Kies het goede antwoord.

Hannah ___ al drie jaar aan de universiteit. Over een half jaar krijgt ze haar diploma.  

Onze docent is heel ___. We moeten altijd precies doen wat hij zegt.

Helaas heeft Nouria de baan niet gekregen. Ze is ___, omdat ze niet genoeg ervaring heeft.

In de ___ staat dat kinderen vanaf vijf jaar verplicht naar school moeten.

Je mag niet roken in de bibliotheek. Deze regel ___ voor alle openbare gebouwen.  

In deze fabriek moet je ___ schoenen dragen. Dit is voor je eigen veiligheid.

Tarpan gaat na de les ___ weg, want hij moet zijn zoon bij school ophalen.

Ik ben heel tevreden met mijn ___, want ik krijg een hoog salaris.

'Bedankt voor de ___. Ik kom graag naar jullie bruiloft.'

Mijn moeder heeft het eten al helemaal ___. Ze moet het straks alleen nog in de oven zetten.

We gaan morgen misschien naar het strand. Het ___ van het weer. Als het regent, blijven we thuis.

0 van de 11 goed.
Kijk na

2

Sleep de goede woorden in de zin.

Wendela weet nog niet wat ze gaat doen. Ze neemt morgen een beslissing.

In de bus mag je niet eten. Dat is een regel.

Mijn vrouw komt ook naar het feest. Neem jij je partner ook mee?

De koning van Nederland woont in een groot huis en hij heeft veel personeel.

De neef van Miloslav woont ook in Nederland. Dat is het enige familielid met wie hij contact heeft.

Ik wil met je mee naar het strand, maar ik heb één voorwaarde. Ik ga alleen als het mooi weer is.

Mijn dochter heeft zich goed voorbereid op de toets. Ze gaat een hoog cijfer halen.

Talia is haar bankpas kwijtgeraakt. Hij zit niet meer in haar portemonnee.

Ik heb geen tijd meer om te sporten. Daarom heb ik mijn abonnement op de sportschool opgezegd.

Max vroeg toestemming om een restaurant te openen. Gelukkig heeft de gemeente zijn plannen goedgekeurd.

Louis moest een nieuw rijbewijs aanvragen. Dat heeft hij bij het gemeentehuis geregeld.

0 van de 2 goed.
Kijk na

3

Wat hoort bij elkaar?

direct

meteen

tegelijk

op hetzelfde moment

speciaal

bijzonder

genoeg

voldoende

Kijk na

4

Wat hoort bij elkaar?

Jamila geeft een feest.

Ze stuurt een uitnodiging naar haar familie en vrienden.

Jamila vult het formulier in.

Als ze klaar is, zet ze haar handtekening.

Jamila wacht op een pakketje.

Ze hoopt dat de postbezorger het vanmiddag brengt.

Jamila zoekt een nieuwe baan.

Ze is nu niet blij met haar werkgever.

Jamila woont hier al acht jaar.

Ze wil de Nederlandse nationaliteit aanvragen.

Kijk na

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.