Draai je tablet om verder te gaan.

4 Onderwijs en opvoeding

Zo gaat dat op school

1 Woorden oefenen

1

Lees de zin. Kies het goede antwoord.

Mijn opa is overleden. Over twee dagen is de ___.

Binnenkort mag je hier niet meer parkeren. Deze regel ___ vanaf 1 januari.

Mijn broer is ___ geworden van een groot bedrijf. Hij is de baas van 250 medewerkers.

Het is vandaag een ___ dag. Onze dochter gaat trouwen!

Ik kreeg gisteren een ___ van de politie omdat ik geen licht op mijn fiets had.

Sommige ___ mensen in Nederland gaan op zondag naar de kerk.

Tara is zeven jaar. Ze gaat na ___ naar een oppas, want haar ouders moeten werken.  

Met het pasje van de bibliotheek kun je gratis boeken ___.

0 van de 8 goed.
Kijk na

2

Sleep de goede woorden in de zin.

Judith is een actief kind. Ze zit nooit stil, ze is altijd bezig.

Arthur ziet zijn kleindochter elke dag. Hij is heel betrokken bij haar leven.

Sinds Hannah studeert, woont ze zelfstandig. Ze heeft een eigen woning in Amsterdam.

Onze buurjongen heeft problemen met leren. Daarom gaat hij naar het speciaal onderwijs.

De yoghurt is vandaag in de aanbieding. Het tweede pak is gratis.

Op deze school zitten achthonderd scholieren. Het is een grote school. 

Ismael is de directeur van de school. Hij moet vaak belangrijke beslissingen nemen.

Ik heb vanmiddag een gesprek met de leerkracht van mijn zoon. We gaan praten over zijn rapport.

Milosz is vrijwilliger in de kringloopwinkel. Hij helpt elke zaterdag met het uitzoeken van de kleding.

0 van de 2 goed.
Kijk na

3

Wat hoort bij elkaar?

Evi begrijpt de opdracht niet.

Ze stelt een vraag aan de leerkracht.

Mila heeft geen hulp nodig.

Ze leert zelfstandig.

Anna houdt van lezen.

Ze leent boeken bij de bibliotheek.

Nora is de hele avond bezig voor school.

Ze moet veel huiswerk maken.

Elin is vandaag niet in de les.

Ze moet naar de begrafenis van haar oma.

Kijk na

4

Wat hoort bij elkaar?

Max weet alles over zijn leerlingen.

Hij is een betrokken leerkracht.

Kay vindt het leuk om te leren.

Hij doet actief mee tijdens de les.

Timo's vader gaat om 15:00 naar school.

Hij haalt zijn kinderen op.

Job geeft vanavond een feestje.

Hij verwacht dat er tien mensen komen.

Kijk na

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.