Draai je tablet om verder te gaan.

16 We hebben een probleem

Heb jij weleens een ongeluk gehad?

1 Doe de taak

Vertellen over een ongeluk

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Een ongeluk

Fatima vertelt over een ongeluk in huis.

 

Mijn zoontje van vijf rent de hele dag door ons huis.

Afgelopen weekend lette ik één seconde niet op. Hij viel met zijn hoofd tegen de scherpe punt van de tafel.

Hij had een gat in zijn hoofd, zijn hele gezicht zat onder het bloed.

Ik moest met een taxi naar het ziekenhuis, want we hebben geen auto.

Sergio vertelt over een ongeluk in huis.

 

Mijn moeder is 80 jaar.

Vorige week klom ze op een keukentrapje. Ze verloor haar evenwicht, viel en brak haar heup.

Ze lag een uur op de keukenvloer, omdat ze niet naar haar telefoon kon lopen.

Eeen buurvrouw hoorde haar roepen en belde een ambulance.

Jenny vertelt over een ongeluk op straat.

 

Ik ging gisteren met mijn dochtertje boodschappen doen.

Ze zag een grote hond en wilde hem aaien. De hond schrok waarschijnlijk en hij beet in haar vinger.

Gelukkig beet hij niet zo hard. Het bloedde niet en we hoefden niet naar de dokter. 

Mijn dochtertje schrok natuurlijk ook heel erg.

Jimi vertelt over een ongeluk op de snelweg.

 

Mijn vrouw reed een jaar geleden op de snelweg. Het was erg druk op de weg.

Ze reed ongeveer 100 kilometer per uur. Plotseling stond het verkeer bijna stil.

Ze moest ineens remmen en de auto achter haar botste tegen haar op.

Zijzelf had gelukkig niks, maar de auto was erg beschadigd.

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

Welke foto hoort bij het ongeluk van Fatima, Sergio, Jenny en Jimi? 
Wat vertellen ze over het ongeluk?

shutterstock_1010061676 (1) shutterstock_1713117958 (1)

shutterstock_1964072263 (1) shutterstock_2112490136 (1)

3

Werk samen. Lees de zinnen hardop.
A begint.
Wissel daarna van rol.

Vertellen over een ongeluk
A: Hé, hoe was je weekend?
B: Niet zo goed, mijn zoon heeft een ongeluk gehad. 
A: Oh, wat vervelend.
      Waar gebeurde het? 
B: Het gebeurde thuis.  
A: Wanneer gebeurde het?
B: Het gebeurde op zaterdagavond.
A: Wat gebeurde er?
B: Mijn zoon rende door de kamer.
     Hij viel tegen de tafel.
     Hij had een gat in zijn hoofd.
B: Wat deed je toen?
A: Ik ging met hem naar het ziekenhuis.
      Gelukkig mocht hij snel weer naar huis.
B: Veel beterschap voor hem!

4

Werk samen. Maak het gesprek af. Gebruik de foto’s.

A: Wie had een ongeluk?
B:  .
A: Waar gebeurde het? 
B:  .
A: Wanneer gebeurde het?
B:  .
A: Wat gebeurde er?

B:  .

B: Wat deed je toen?
A:   .



shutterstock_1763515085 (1) shutterstock_1216699339 (1)

5

Werk samen. Lees het gesprek van opdracht 4 hardop.
A begint.
Wissel daarna van rol.

6

Werk samen. Maak het gesprek af. Gebruik de foto’s.

A: Wie had een ongeluk?
B:  
A: Waar gebeurde het? 
B:  
A: Wanneer gebeurde het?
B:  
A: Wat gebeurde er?
B:  

A: Wat deed je toen?
B:  



shutterstock_2143994883 (1) shutterstock_1920985745 (1) 

7

Werk samen. Lees het gesprek van opdracht 6 hardop.
A begint.
Wissel daarna van rol.

8

Werk samen. Praat samen. Gebruik de vragen van opdracht 6.
A begint.
Wissel daarna van rol.

Denk allebei aan een ongeluk, van jezelf of van iemand anders.
A stelt vragen over het ongeluk.
B geeft antwoord.

9

Lees het bericht en schrijf een reactie.

Je krijgt een bericht van een vriend.
Reageer op het bericht van je vriend en vertel over een ongeluk.
Gebruik de situatie van opdracht 4, 6 of 8.


Schrijf:

  • Wie had een ongeluk?
  • Waar gebeurde het?
  • Wanneer gebeurde het?
  • Wat gebeurde er?
  • Wat deed je toen?
Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.