Draai je tablet om verder te gaan.

16 We hebben een probleem

Heb jij weleens een ongeluk gehad?

1 Woorden oefenen

1

Lees de woorden.

Kijk naar de plaatjes.

Zet de woorden bij de goede plaatjes.

het hoofd

het keukentrapje

de taxi

Opnieuw invullen

2

Lees de woorden.

Kijk naar de plaatjes.

Zet de woorden bij de goede plaatjes.

de heup

het bloed

de ambulance

Opnieuw invullen

3

Lees de zinnen.

Kies het goede antwoord.

Dat mes is heel ... Pas op!

De trein vertrekt bijna. We moeten naar het station ...

Joris ... zijn been bij het voetballen.

Mijn jas valt op de ... Nu is hij vies.

... ging het heel hard regenen. We hadden geen paraplu bij ons.

Je mag op deze weg maar 50 ... per uur rijden.

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

4

Lees de zinnen.

Kies het goede antwoord.

Het kind steekt ... de weg over.

De man ... zijn hond. Hij luistert niet.

Die peuter kan niet goed lopen. Ze ... haar evenwicht.

De baby brult heel hard. Ik ...

Op de ... rijden de auto's heel hard.

Je moet altijd ... voor het rode stoplicht.

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

5

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

Er is veel verkeer op de weg. Alle auto's staan ...

Deze hond is gevaarlijk. Hij ...

Ik houd van poezen. Je kunt ze altijd ...

Nu is het eindelijk mooi weer. ... week was het nog zo koud!

Er zit ... op je trui. Wat is er gebeurd?

Sara viel van de trap. Ze verloor haar ...

Je moet je schoenen uitdoen. We hebben net een nieuwe ...

Ik ... op het trapje naar de zolder.

Ze is gevallen met de fiets. Haar ... doet pijn.

De post kwam heel ... We hadden hem niet verwacht.

Waarom ... je? Praat eens zacht.

Glas is erg ... Pas op!

12 van de 12 goed.
Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Pas op! Je mag deze hond niet aaien.

Mijn ouders waren afgelopen weekend op visite.

Ze viel hard op haar knie, maar het bloedt gelukkig niet.

We schrikken erg van dat harde geluid.

Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Zijn hoofd bloedt heel erg. Er zit een gat in.

Ik moet elke dag tien kilometer fietsen naar school.

Je mag niet rennen op de gang!

Zij nemen nooit een taxi. Dat vinden ze te duur.

Opnieuw invullen

8

Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.

De auto voor ons moest heel hard remmen.

Ik botste met mijn fiets tegen een auto op.

Je tas ligt op de grond.

De tafel heeft een scherpe punt.

Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik ga op een keukentrapje staan. Die kast is veel te hoog.

Op de snelweg rijden de auto's hard.

De trein staat stil. Waarom rijden we niet verder?

Ze is op haar hoofd gevallen. Ze gaat naar de dokter.

Opnieuw invullen

10

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Een minuut heeft zestig seconden.

Hij bijt een stukje uit de appel.

We belden meteen de ambulance.

Mijn moeder stofzuigt iedere dag de vloer.

Opnieuw invullen

11

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Het licht is kapot. Het is ineens helemaal donker.

In de vakantie gaan we altijd wandelen en klimmen in Zweden.

Ik botste tegen die mevrouw op. Ik zag haar niet.

Wil jij nog een punt van de pizza?

Opnieuw invullen

12

Wat hoort bij elkaar?

het evenwicht

verliezen

een heup

breken

de hond

aaien

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.