Luister naar de zin.
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
Ik lette ... seconde niet goed op.
één
geen
Je moet ... de dokter.
bij
naar
Je hebt een gat ... je hoofd.
binnen
in
Ze zit helemaal ... het bloed.
met
onder
Ik ... vaak mijn evenwicht.
verdien
verlies
Hij ... zijn arm.
breekt
brengt
We schrokken heel ...
eng.
erg.
Er was veel verkeer ... de weg.
op
De auto botste tegen ons ...
op.
om.
We hadden gelukkig ...
niet.
niks.
De auto reed 100 kilometer ... uur.
per
voor
Sleep het goede woord in de zin.
Mijn dochter had gelukkig niks.
Het was ontzettend druk op de weg.
We zijn heel erg geschrokken.
De vrouw zat helemaal onder het bloed.
Je mag op deze weg 80 kilometer per uur.
De fietser en de auto botsten tegen elkaar op.
Mark heeft waarschijnlijk een gebroken arm.
Ik moet morgen naar de dokter.
Je mag nog één seconde nadenken over dat antwoord.
Ik wil mijn evenwicht niet verliezen.
Sara heeft een gat in haar hoofd.
Je mag niet op de weg fietsen.
Wat hoort bij elkaar?
Het kind heeft een gat
in zijn hoofd.
De auto botste
tegen ons op.
Het was druk
op de weg.
Je moet meteen
naar de dokter.
Ze verliest
haar evenwicht.
Je zit onder
het bloed.
Je rijdt 50 kilometer
per uur.
Mevrouw De Vies breekt
haar heup.
Kies de goede reactie.
Waar ga je heen?
Ik moet nog eten.
Ik moet naar de dokter.
Heeft u pijn aan uw arm?
Ja, dat is goedkoper.
Ja, hij is gebroken.
Is Sara gevallen?
Ja, ze is ziek.
Ja, ze heeft een gat in haar hoofd.
Wat is er gebeurd?
Het gaat wel.
De auto botste tegen mij op.
Waarom ga je naar de dokter?
Ik zit onder het bloed.
Ik zit achter de computer.
Kom je laat thuis?
Afgesproken.
Ja, het is druk op de weg.
Hoe hard mag je hier rijden?
50 kilometer per uur.
Ik fiets naar huis.
Waarom val je?
Ik verlies mijn sleutel.
Ik verlies mijn evenwicht.
Gaat het?
Ja, ik heb wel tijd.
Ja, ik heb gelukkig niks.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.