Draai je tablet om verder te gaan.

3 Hoe gaat het?

Nasılsın?

Lekker weer, hè?

Hava güzel, değil mi?

1 Doe de taak

Een praatje maken

1

Metni dinle ve aynı zamanda oku.

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Nasılsın?

Lex, sokakta Jafar adlı arkadaşıyla karşılaşıyor. 
 

- Hey, Jafar! 

- Ha, Lex. 

Nasılsın?

- İyiyim.

Sen nasılsın?

- Ben de iyiyim. 

Hava güzel, değil mi?

- Evet, harika.

Baban nasıl? 

- Hım, pekiyi değil.

Sık sık rahatsız.

- Ah, üzüldüm. 

Babana selam söyle.

- Söylerim.

Hoe gaat het?
Lex ontmoet een vriend op straat, Jafar.

Lex

Hé, Jafar!

Jafar

Ha, Lex.
Hoe gaat het?

Lex

Goed hoor.
En met jou?

Jafar

Ook goed.
Lekker weer, hè?

Lex

Ja, heerlijk. 
Hoe is het met je vader?

Jafar

Hmm, niet zo goed.
Die is vaak ziek.

Lex

Oh, wat vervelend.
Doe je vader de groeten.

Jafar

Zal ik doen.

2

Birlikte çalış.
alıştırmanın metnini yüksek sesle oku.

Werk samen. Praat over opdracht 1.

Wat hoor je? Vertel over de tekst. Gebruik de foto's.

3.1.2 twee mannen begroeten elkaar 300 3.1.2 een heldere lucht 300 

3.1.2 een hoestende man 300 

3

Birlikte çalış.
Cümleleri yüksek sesle oku.

Werk samen. Luister naar de gesprekken. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Een praatje maken

A: Hé, hoe gaat het?

B: Goed. En met jou?

A: Ook goed.

 

B: Hé hallo, alles goed?

A: Nou nee, niet zo goed.

      Ik ben een beetje ziek.

B: Wat vervelend.

      Beterschap.

A: Dank je.

 

B: Hé, lekker weer hè?

A: Ja, lekker warm.

B: Hoe gaat het met je moeder?

A: Goed hoor.

B: Wat fijn!

 

A: Hoe gaat het met je vader?

B: Niet zo goed.

      Die is ziek.

A: Oh, wat vervelend.

      Doe je vader de groeten.

B: Zal ik doen.

4

4. alıştırmaya bak.
Doldur.

Werk samen. Maak de gesprekken af. Kijk naar opdracht 3.

A: Hallo, hoe gaat het?

B: 😊 . En met jou?

A: Ook   .

 

B: Hallo, alles goed?

A: 🙁  .

B: Wat vervelend.

 

A: Hoe is het met je  ?

B: 😊 of 🙁  .

A: Wat  .

      Doe  .

B: Zal  .



5

Birlikte çalış. 4.
alıştırmaya bak.

Werk samen. Lees de gesprekken  van opdracht 4 hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

6

Werk samen. Maak een praatje.

 

1 A begint. B gebruikt de foto's.

 

A: Hallo, hoe gaat het?

B:

3.1.6.1A 300 3.1.2 een heldere lucht 300

A: ...

 

2 B begint. A gebruikt de foto's.

 

B: Hé, alles goed?

A:

 3.1.6.2A 300 3.1.6.2B 300

B: ...

 

3 A begint. A kiest een foto.

 

A: Hoi, hoe gaat het met ...?

3.1.6.3A 300 //  3.1.6.3B 300

B: ...

A: ...

 

 

7

Sınıfta dolaş.
Bir başkasıyla sohbet et.

Loop rond. Maak een praatje met een ander.

Begin zo:

- Hallo, hoe gaat het?

- Hé, alles goed?

- Lekker weer hè?

- Hé, hoe gaat het met ...?

8

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

Je leest een bericht van je buurvrouw.

Geef antwoord op de vragen.

    Deze opdracht is voldoende. Goed gedaan!

    Foutje!

    Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.