Draai je tablet om verder te gaan.

2 Boodschappen doen

Ik koop vlees, vis, groente en fruit

Et, balık, sebze ve meyve

1 Woorden oefenen

1

Kelimeleri oku.

Resimlere bak.                                             

Kelimeleri, doğru resimlere yerleştir.

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes. 
Zet de woorden bij de goede plaatjes. 

de banaan

de boodschappen

de citroen

de kip

de tomaat

Opnieuw invullen

2

Kelimeleri oku.

Resimlere bak.                                             

Kelimeleri, doğru resimlere yerleştir.

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes. 
Zet de woorden bij de goede plaatjes. 

de vis

de ui

de wortel

de sinaasappel

het vlees

Opnieuw invullen

3

Kelimeleri oku.

Resimlere bak.                                             

Kelimeleri, doğru resimlere yerleştir.

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes. 
Zet de woorden bij de goede plaatjes. 

de markt

de supermarkt

Opnieuw invullen

4

Cümleyi oku.

Doğru yanıtı seç.

Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

Ik ... boodschappen op de markt.

Ik ... groente en fruit op de markt.

Ik heb een vrouw en drie kinderen. Dat is ...

Ik koop ... in de supermarkt: groente, fruit en kaas.

'Woon je in Zwolle ... in Meppel?'

Mijn kind is ...

'Doe ik boodschappen of doe ... boodschappen?'

Ik heb een dochter en een zoon. Ik heb ... twee kinderen. 

Ik koop groenten. Ik koop ... vlees.

Ik ... niet. Ik luister.

'Waar ben je? Ben je ...?'

Ik ga ... boodschappen doen.

'Wie ... boodschappen doen?'

Ik praat ... mijn land.

'Ik koop vis of vlees. Wat ... je?'

15 van de 15 goed.
Opnieuw invullen

5

Cümleyi dinle.

Doğru kelimeyi cümlenin içine yerleştir.

Lees de zin. 
Sleep het goede woord in de zin.

Een banaan is fruit.
Een wortel is groente.
Een citroen is fruit.
Een tomaat is groente.
Een sinaasappel is fruit.
Een ui is groente.

Opnieuw invullen

6

Cümleyi dinle.

Doğru kelimeyi cümlenin içine yerleştir.

Lees de zin. 
Sleep het goede woord in de zin. 

Ik koop vis op de markt.
Ik doe boodschappen in de supermarkt.
'Koop je kip? Of koop je groente?'
'Ben je thuis of in de supermarkt?'

Opnieuw invullen

7

Cümleyi dinle.

Doğru kelimeyi cümlenin içine yerleştir.

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik bel Ahmed. Ik praat met Ahmed.

'Wat wil je? Een sinaasappel of een tomaat?'

Ik ben Kemal. Wie ben jij?

Ik doe vandaag boodschappen.

Opnieuw invullen

8

Cümleyi dinle.

Doğru kelimeyi cümlenin içine yerleştir.

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik praat over het eten in Nederland.

Anna gaat naar de supermarkt.

Ik koop groente en fruit.

Ik ben op de markt. Ik ben dus niet thuis.

Opnieuw invullen

9

Cümleyi dinle.

Doğru kelimeyi cümlenin içine yerleştir.

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik heb een voornaam. Ik heb ook een achternaam.

Ik koop geen vis. Ik koop vlees.

Deborah is mijn kind. Deborah is lief.

Ga je vandaag naar de supermarkt?

Opnieuw invullen

10

Cümleyi dinle.

Doğru kelimeyi cümlenin içine yerleştir.

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

'Waar koop je vis? Op de markt of in de supermarkt?

Ik woon in een dorp. Dat is fijn.

Waar ben je vandaag? Ben je thuis?

Spreek je Nederlands of Arabisch?

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.