Draai je tablet om verder te gaan.

2 Omgaan met anderen

Communiceren

1 Woorden oefenen

Lees de zin. Kies het goede antwoord.

Paulo ___ zijn dag heel precies. Hij weet altijd wat hij gaat doen.

We hebben veel ___ van onze buren. Ze maken veel lawaai.

Veel mensen ___ tegenwoordig via berichtjes en sociale media.

‘Sorry, ik begrijp je niet zo goed. Ik weet niet wat je ___.’

 Toen Sara in Nederland kwam, was ze niet ___ aan het koude weer.

Maria is ziek. Daarom moet ze de afspraak met haar zus ____.

Karim en Hanza ___ dat ze morgenochtend om 10.00 uur gaan hardlopen.

Deze trein gaat ___ naar Zwolle. U hoeft niet over te stappen.

Deze man kijkt heel boos, hij is niet zo ___.

Sinan wil zijn Nederlands ___. Daarom volgt hij een cursus.

Als u niet naar de afspraak kunt komen, moet u dat 24 uur ___ zeggen. Dus niet na de afspraak.

0 van de 11 goed.
Kijk na

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.