Draai je tablet om verder te gaan.

2 Omgaan met anderen

Iedereen is anders

1 Woorden oefenen

1

Lees de zin. Kies het goede antwoord.

Marja belt iedere dag met haar zus. Dat is ze ___.

Vanwege zijn ___ gaat Wendu iedere zondag naar de kerk.

Hans werkt op een basisschool. Hij kan goed met kinderen ___.

Simbo ___ zijn buren iedere ochtend. Dan zegt hij ‘goedemorgen’.

Peter zegt ‘u’ tegen zijn docent, want dat is ___.

Sara doet thuis haar schoenen uit. Dat is haar ___.

Deze stoelen zijn ___. Deze is blauw en de andere is groen.

Welke kleren moet ik dragen? Heb je een ___ voor mij?

Als mensen te veel alcohol drinken, ___ ze zich vreemd.

In zijn ___ voetbalt Jaimy graag met zijn vrienden.

0 van de 10 goed.
Kijk na

2

Wat hoort bij elkaar?

de religie

het geloof

de gewoonte

gewend zijn

groeten

'hallo' zeggen

beleefd

met respect

verschillend

anders

Kijk na

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.